Hoofdstuk 11. Samen verder

Vissen in een lemniscaat, uitvergroot door hun samenwerking

Perfecte spiegel

—

Onze dierbaren zullen elk van onze knoppen blijven indrukken, totdat we ons realiseren wat we over onszelf niet willen weten.

— Byron Katie

Mensen die je porren zijn erg belangrijk in je leven, want ze zijn kwaliteitscontrole.

— Sadhguru

—

Wij vormen een relatie met alles wat we zien, voelen, verbeelden, denken en vasthouden. Waar we dit onbewust doen, maken we onze relaties verantwoordelijk voor ons geluk en reduceren we onszelf tot een krachteloze speelbal. Wanneer we herkennen dat we in elke relatie een meespelend aandeel hebben, hoe passief dat aandeel misschien ook lijkt, beginnen we onze relaties te zien als een sleutel. En dan wordt elke ontmoeting, elke samenwerking en elke relatie een kans voor de wereld waar we het liefst in leven.

Zo is het ook met geld. Om het citaat aan het begin van dit hoofdstuk te herhalen: ‘Geld zelf is niet goed of slecht. Geld zelf heeft geen niet-kracht of wel-kracht. Het is onze interpretatie van geld, onze interactie met geld, waar het echte onheil zit en waar we de echte kans vinden voor zelfontdekking en persoonlijke transformatie.’

We kunnen geld dus de schuld blijven geven van alles wat er mis is met de wereld (en er dus nooit een opbouwend instrument van maken), maar we kunnen het ook verwelkomen als een partner, een spiegel, een deur.

‘Hé geld,’ zouden we bijvoorbeeld kunnen zeggen, ‘laten we samenwerken. Laten we kijken hoe we samen iets bijzonders kunnen creëren. Wat heb je van mij nodig om jou het mooiste te laten zijn dat je kunt zijn?’

Praten met geld lijkt misschien gek, maar dat is het niet, want we doen het al. Wij communiceren continu, met alles. Door ons bewust te worden van de boodschappen die we uitsturen en de interpretaties die we plakken op de boodschappen die we ontvangen, kunnen we veranderen wat we op de wereld projecteren — en daarmee de wereld die we creëren.

Zelfs met terugwerkende kracht.

Ruim drie jaar na de tocht die ik in de bergen van Schotland organiseerde (zie deze pagina in hoofdstuk 3), bel ik Evelien. Ik beken dat ik na onze tocht iets heb achtergehouden en vraag of ik daarover kan delen. Evelien stemt in en ik beken verder: ‘Ook na ons laatste gesprek over jouw gift aan mij, ben ik blijven hangen bij het idee dat je mij tot sluitpost van je reis hebt gemaakt, omdat ik de enige post was die geen vaste prijs hanteerde. Ik heb dit toen naast me neergelegd, maar kan het niet rondmaken en wil het ook niet in dit boek verwerken zonder hierover eerst met jou te delen, mede omdat ik je wil vragen hoe dit voor jou was en hoe je nu kijkt naar toen.’

‘Ik ben blij dat je belt’, zegt Evelien meteen. ‘Ik baalde er destijds van dat ik je op dat moment niet meer kon geven. Die reis heeft echt mijn leven veranderd en het bedrag dat ik naar je overmaakte, was veel lager dan wat voor mij recht deed aan de ervaring. Later, toen ik wel geld over had, gaf ik een deel daarvan aan mensen die het op dat moment nodig hadden. Het kwam nog bij me op om jou ook iets te geven, maar ik had de indruk dat het voor jou afgesloten en goed was, dus heb ik dat niet gedaan.’

Ik kan Evelien horen. Ik begrijp haar, zie nog duidelijker waar ik destijds mijn verantwoordelijkheid heb laten liggen en voel eerlijkheid bij wat ze nu zegt. Ik bedank haar en zij mij, want ook voor haar is er iets geklaard. Over geld hebben we het niet meer en die behoefte heb ik ook niet. Iets dat jarenlang hoofdruimte opslokte, is schoon, rond en opgelost, ineens, omdat we elkaar in openheid hebben durven ontmoeten.

Er zijn meer menselijke perikelen en drama’s die een plek in dit boek zouden krijgen. Dat vond ik niet overal even makkelijk, want hoe eerlijk mijn verhaal ook moge zijn, het blijft mijn verhaal.

Hoe ga ik hier zorgzaam en respectvol mee om? Ik heb er behoorlijk bij stilgestaan, en met hulp van wat heldere vrienden kwam ik op het volgende: ik ga mensen niet vragen wat ik wel en niet over ze mag vertellen, maar ik wil ze wel de kans geven om mee te lezen en feedback te geven, zodat ik hun feedback eventueel kan meenemen.

Na mijn telefoongesprek met Evelien bijvoorbeeld, stuur ik haar de stukken waar zij in voorkomt, inclusief het stuk dat je net gelezen hebt.

‘Ik heb je teksten nu twee keer gelezen,’ schrijft ze in haar reactie, ‘en beide keren krijg ik een glimlach. Ik voel ook een steekje wanneer je schrijft dat jij gelijk hebt en ik ongelijk. En een fractie van de buikpijn die ik ervoer tijdens het bellen met je. Je schrijft het in mijn beleving zoals het is gegaan. Ik ben er oké mee dat dit in het boek gaat komen.’

Bijna iedereen die met naam en toenaam in dit boek staat, heeft de stukken ontvangen waar hij of zij in voorkomt. Bijna iedereen heeft gereageerd, ook Pieter. Hem stuurde ik het verhaal over onze ontmoeting, onze Hartwerkers-samenwerking en het pijnlijke einde daarvan. Hij reageerde minder dan blij, maar schreef ook: ‘Ik heb besloten me er niet druk over te maken en wens je een mooi boek toe. Waarbij de titel echt heel veel beter kan.’

Dit brengt me bij het eind van dit laatste hoofdstuk, bijna. Er is nog één iemand bij wie ik terug wil komen.

In de zomer na het overlijden van mijn vader krijg ik een sms van Ilse.

‘Mundo, weet je wat ik fijn vind? Dat ik weet dat als we elkaar nog eens ontmoeten zullen, we elkaar kunnen omhelzen. Zonder dat er iets in de weg zit.’

Ik kijk naar het scherm van mijn telefoon en ben een beetje perplex, maar ook weer niet. Ik ben net een paar maanden bezig met vergevingswerk. De deur naar Ilse, die ik bijna twee jaar lang heb dichtgehouden, is opengegaan. Is bij haar misschien hetzelfde gebeurd?

We spreken af en zien elkaar in een nieuw licht. Verhalen waar we allebei lang aan hebben vastgehouden, lijken verdampt of vervaagd tot een nauwelijks te herinneren herinnering. We spreken nog een keer af, en nog een keer, en op een goede dag krijg ik weer een sms. ‘Mundo, kunnen we elkaar gauw weer zien? Ik wil je iets vragen.’

Een ochtend later loop ik een Amsterdams koffiezaakje in. Ilse zit al klaar met een kop thee. Ik ga naast haar zitten, voel een ondeugende glimlach opkomen en vraag: ‘Nou, zal ik maar naar de WC gaan en terugkomen met een gevuld potje?’

Ilses valt tegen de rugleuning van haar stoel en kijkt me vol ongeloof aan.

—‘Hoe wist je wat ik ging vragen?’

Nu mag ik bekomen van de schrik. Ik had het dus goed aangevoeld.


Geïnspireerd?

Miracle Project logo off-white 1Mb

Help anderen dit boek te vinden door deze website te delen

en/of steun onze missie: