6 oktober 2015
Ilse blijft in ons boshutje wonen en ik ga op zoek naar een nieuw onderkomen. Tot het einde van de maand mag ik een zolderkamer bewonen van een vriendin in Amsterdam; over daarna maak ik me geen zorgen. Ik vind alleen wel dat ik iets moet doen, dus doe ik wat men doet wanneer men straks geen woning meer heeft. Aanmeldformulieren van anti-kraakorganisaties invullen bijvoorbeeld. Een taak die ik op mijn bord leg om mezelf te kunnen vertellen dat ik heus wel iets doe aan de situatie.
Wat ik niet meer wil, is duidelijk: elke maand honderden euro’s overmaken naar een organisatie of huurbaas waarvan ik waarschijnlijk nooit een gezicht zal zien. Wat ik wel wil, weet ik nog niet.
Hé…
Ik weet het niet.
Ik stop met invullen en klap mijn laptop dicht. Als ik nog niet weet wat ik wil, kan ik maar beter dat gaan doen: het nog even niet-weten.
Twee uur later, terwijl ik naar een coach-afspraak fiets, gaat de telefoon. Ik stop. Het is papa en papa komt meteen terzake. ‘Mundo, ik bel om te vragen of je even bij mij wilt komen wonen. Ik kan mijn slaapkamer voor je vrijmaken en mijn bed in de woonkamer zetten. Dan heb je een basis, kun je even tot jezelf komen en rustig nadenken over een volgende stap.’
—‘Pap, wat fijn, dank je wel. Heel graag.’
We hangen op. Ik kijk dankbaar naar de lucht. Papa belt, net nadat ik stop met zoeken wat ik niet wil vinden.

