Hoofdstuk 6. Thuiskomen

Man met hoed en op de plek van zijn hart een open oog.
Lieve papa,

Ineens was je weg. Zelfs de verplegers schrokken van je plotse vertrek. Maar je bent niet weg en je lichaam komt nog even thuis. Twee uitvaartbegeleiders helpen me om je aan te kleden, te scheren en in bed te leggen. Daar lig je nu te liggen, rustig en nogal wiedes, want waar ga jij je nu nog druk om maken?

Ik maak me druk. Of beter gezegd: ik voel druk. Er lijkt een storm aan emoties en verwijten in de familie te woeden. Er woedt een storm aan emoties en verwijten in mij. Ik ben hard aan het werk om me niet door de storm mee te laten slepen en ’s nachts kan ik niet slapen. Jij ligt in de kamer die je mij schonk; ik lig in de woonkamer, in het bed waar je tot tien dagen geleden op sliep. Mijn hoofd raast, ik voel woede in mijn lijf en schreeuw plots de longen uit mijn lijf. Ik sta op en loop naar de badkamer voor een koude douche. Weer in bed, met een tintelende huid, wordt het stil.

Dan komt er vanzelf een vraag.

Wat is er nodig?

Na een paar keer ademhalen, hoor ik een helder antwoord.

Dat ik deze dagen niet in de overlevingsstand doorbreng
en dat ik me omring met voedende mensen.

Roos (weet je nog pap, Roos van de heksenbus op oudejaarsavond?) komt twee keer boodschappen brengen. Twee hele avonden blijft ze bij ons. Drie andere vriendinnen komen eten brengen. Ik krijg een slecht idee en bel neef Bas en vriend Frank om te vragen of ze mee willen doen. Allebei zeggen ze ‘ja’. Ik bel Syl en ook zij zegt ‘ja’.

Zaterdagochtend staat Syl voor de deur. Twee uur lang begeleidt ze mij in het beschilderen van je kist. ’s Avonds bel ik Loes en Arthur (weet je nog pap, de Loes en Arthur met wie we in de zomer in het park lasagne aten en frisbeeden?) en zondagochtend staan ze met twee weekendtassen op de stoep. We fietsen naar een vriend om aan het slechte idee te knutselen. Wanneer we ’s middags terugkomen, lig jij rustig te liggen. Waar zou jij je nu nog druk om maken?

Maandag word ik wakker en heb ik zin. Dit wordt geen zware dag.

Om tien uur verzamelt de slecht-idee-groep zich voor het gebouw. We brengen je naar buiten en we fietsen. Jij ligt in je beschilderde kist op een bakfiets die eergisteren nog loodzwaar voelde, maar die nu, zelfs met jouw gewicht erbij, lichter lijkt. We doorkruisen Amsterdam en worden bijgestaan door John Lee Hooker, wiens muziek uit een kleine luidspreker komt die op de kist staat. Je rode schoenen sieren de voorkant van de kist. Je geniet. Je lacht. Wij ook.

Ilona en Mabel zijn al neergestreken bij een voormalige boswachtershuisje in het Amsterdamse Bos. Ze hebben hout in de kachel gedaan, kaarsen aangestoken en bloemen neergezet. Wanneer we aankomen, worden we verwelkomd door een verstilde, verwonderde groep familie en vrienden. Allemaal zijn ze afgekomen op een duidelijke uitnodiging: ‘Kom alleen omdat je er wilt zijn en/of omdat je voelt dat het belangrijk voor je is om er te zijn.’ Ik zie gezichten die jij en ik ruim tien jaar niet meer hebben gezien, en toch is er meteen een gevoel van contact.

We dragen je naar binnen. De bijeenkomst wordt geen plechtigheid met over de doden niets dan goeds. Er wordt gezegd wat gezegd wil worden, onder andere door Dedy. Zij gaat voor de groep staan, leest een brief voor die uit haar tenen komt en die geen shit onder stoelen of banken stopt. De shit galmt door de ruimte, de shit mag er zijn en dat is echt de shit. Ik weet niet meer of we applaudisseren, maar het voelt alsof we Dedy een staande ovatie en een diepe buiging geven.

Mijn brief aan jou begon op werk te lijken, dus ik heb ‘m losgelaten. Nu zit ik — nee, ik ga staan — en wacht ik op woorden. Ze komen en ik kan voelen wat ze zeggen.

Deze week, terwijl jouw lichaam rustig thuis in bed ligt, voel ik meer contact met je dan ooit. Je draagt me, bent in me, bent in ons, zonder oordeel, zonder wil, zonder moeten, thuis, af, helemaal goed.

Tranen glijden over mijn wangen en net als die keer in Utrecht, toen ik mijn open brief voorlas, komt Koen achter me staan. Zijn handen geven een ruggensteun die ik ook vanuit jou ervaar. Ik huil van blijdschap — is het blijdschap? — en zie een ruimte vol maskerloze blikken. Een intens dankbaar en rijk gevoel komt over me heen.

Hilde speelt gitaar en zingt zoals ze dat voor jou in het ziekenhuis deed. Dan is het tijd voor onze volgende rit.

We maken weer een tocht van zeven kilometer. De bakfiets voelt lichter en lichter. Je gaat een oven in en dat vind ik niet moeilijk, want jij bent het niet die de oven ingaat. En dit is geen afscheid.

Marianne komt achter me staan en pakt mijn rechterhand. Mijn vrije hand mag op het knopje drukken dat jouw kist met vlammen zal doen omhullen. Ik druk met een glimlach.

Papa’s doodskist op een bakfiets. Bloemen zijn aan de zijkant door de hendels gestoken. Het boxje met muziek staat bovenop de kist.

Geïnspireerd?

Miracle Project logo off-white 1Mb

Help anderen dit boek te vinden door deze website te delen

en/of steun onze missie: