Een maand later
Na de bijeenkomst voor papa wilde ik even weg van het appartement. Weg uit de energie van acht intense maanden, de leegte in, het groen in. Ik huurde een klein huisje in Zweden en reed er naartoe met een auto die ik van vrienden mocht lenen. Ik wandelde veel, lag in het mos, schreef en ben alweer op weg terug.
Het is tien uur ’s avonds en ik sta bij de eerste Nederlandse benzinepomp. Het lampje boven mijn hoofd verlicht een papieren routekaart. Bij het vallen van de avond, middenin een dikke Duitse file, wist ik dat Amsterdam voor vandaag een brug te ver ging worden. Ik belde een vriendin in Groningen, misschien kon ik bij haar overnachten. Ze nam niet op en sms’te dat ze vanavond niet thuis is. Een leuk en betaalbaar pension bij haar in de buurt zou ze ook niet zo weten, ‘maar ik ga even voor je zoeken.’
Een paar minuten later kreeg ik opnieuw bericht: ‘B&B Unia Zathe in Ee (Friesland). Ziet er heerlijk uit.’ Ik typte een dankwoord en belde het nummer. Eigenaar Cor nam niet op, maar liet me via sms weten dat ik welkom ben.
Mijn vingers glijden over de kaart en vinden Ee. Moet lukken om daar voor elven aan te komen, denk ik. Even tanken en dan door.
Ik hoor een klop op het autoraam.Ik kijk op van de kaart en doe het portier open.
‘Hoi,’ zegt een man in het Engels, ‘heb jij misschien een steeksleutel dertien bij je? Mijn buddy en ik zijn drie kilometer terug gestrand met een lege tank. We hebben hier een jerrycan met benzine gevuld en die in de tank geleegd, maar nu is onze accu leeg en we hebben geen gereedschap om de tweede accu van onze bus op de startmotor aan te sluiten.’
Ik vind dat het laat is en dat ik al de hele dag onderweg ben en hier geen zin in heb. Maar zij hebben hier ook geen zin in, en als ik ze niet help, ben ik waarschijnlijk de zoveelste die de deur voor ze dicht doet. Maakt verder niet uit, want ik heb het al gezegd: ‘Ik heb geen sleutel bij me, maar wil wel kijken of ik jullie kan helpen.’
De paar mensen die bij de benzinepomp staan, zeggen allemaal geen sleutel dertien bij zich te hebben, dus we gaan het met de accu van mijn leenauto proberen. Ik schuif wat bagage opzij en nodig de jongens uit om in te stappen.
‘De Duitse politie bracht ons naar de benzinepomp in Nederland’, vertelt de tweede jongen vanaf de achterbank, terwijl we de grens oversteken. ‘Ze zeiden dat we het daar maar moesten uitzoeken.’
Op de onverlichte snelweg is een stel oranje knipperlichten snel gevonden. We nemen de eerstvolgende afslag, pakken de oprit naar de andere kant en komen aan bij de bus. Ik keer de auto om en zet de neus van mijn auto zo dicht mogelijk bij die van hen. De motorkappen gaan open en we sluiten de startkabels aan. Ik laat mijn motor lopen en geef gas zodat de dynamo extra stroom levert; zij proberen te starten. Niets. We koppelen mijn startkabels aan die van hen, om met de extra lengte de tweede accu van de bus op de startaccu van de bus aan te sluiten. Weer niets. We koppelen de tweede accu direct aan de startmotor van de bus. Niets. We sluiten mijn accu aan op de startmotor. Niets. Na nog wat rommelen, mogen we concluderen dat we de bus niet aan de praat krijgen.
‘Ik ben op weg naar een dorpje net voorbij Groningen’, zeg ik. ‘Jullie kunnen mijn telefoon gebruiken en ik kan jullie ergens naartoe brengen. Zeg maar wat jullie willen.’
Dankbaar stemmen de jongens in. We rijden terug naar de Nederlandse benzinepomp, waar zij een belletje plegen en ik de benzinetank vul.
‘Kun je ons bij een camping in Groningen afzetten?’ vragen ze wanneer ik weer instap. ‘Daar staan we met familie en een tweede bus. Als we die bus hebben, kunnen we die van ons naar Groningen slepen en komt reparatie morgen wel.’
We rijden en de jongens vertellen dat één van hen sinds een paar maanden in Nederland werkt. De ander is met vrouw en kind op bezoek en gaat vanaf volgende week een tijd door Europa toeren. Wanneer we even stilvallen, hoor ik wat gefrummel.
‘Hier, voor je hulp’, zegt de jongen naast me. ‘We hebben gezien voor hoeveel je net hebt getankt.’
Ik kijk naar rechts en zie een hand met wat geldbriefjes.
—‘Je hoeft me niets te geven. Ik ben blij dat ik jullie kan helpen.’
‘Ja, maar het is onze schuld dat we te lang op de reservetank zijn doorgegaan.’
—‘Dat betekent niet dat je mij moet betalen. We mogen elkaar toch helpen, ook als we fouten maken?’
‘Ja, maar we willen het graag geven.’
De jongen achterin leunt naar voren en valt bij: ‘We willen het graag geven.’
Ze willen het graag geven en ik voel geen nee, dus neem ik dankbaar vijfenveertig euro aan.
Ver na twaalven arriveer ik bij Cor en zijn bed-en-ontbijt. Ik had hem gewaarschuwd dat ik vertraagd was en nu staat hij me buiten op te wachten. Wanneer ik uitstap en hij me tegemoet loopt, zie ik een vriendelijk gezicht van middelbare leeftijd met kort haar en een bril. ‘Zo, jij hebt een hele rit achter de rug!’ lacht hij.
Cor gaat me voor naar binnen en daar val ik met mijn neus in de boter. De plek ziet er inderdaad heerlijk uit. Een trap leidt ons naar mijn kamer en we spreken af elkaar morgen te spreken. Nu eerst slapen.
De volgende ochtend blijk ik de enige gast te zijn. Cor heeft ontbijt voor twee klaargezet en vertelt tijdens het eten over de laatste fase van zijn moeders leven. Zo bijzonder vond hij het om voor haar te kunnen zorgen, dat hij nu deeltijds werkt in een kleinschalige woonvoorziening voor mensen met dementie. Sinds een paar jaar runnen hij en zijn vriend ook dit bed-en-ontbijt.
Cor vraagt over mijn reis, luistert terwijl ik vertel over mijn vader en wil alles weten over mijn boek. Onze oprechte interesse over en weer voelt als thuiskomen, ook voor Cor. Anderhalf uur nadat ik een eerste boterham met pindakaas besmeerde, geef ik aan te willen vertrekken.
‘Hoeveel mag ik je geven Cor?’ vraag ik met een grote glimlach.
—‘Nou, normaal is het vijftig euro, maar ik vind dit zo’n bijzondere ontmoeting, dus niks.’
Ik weet even niet hoe te reageren. Mijn hoofd spoort me aan om ‘Nou, super, dank je wel’ te zeggen, maar in mijn broekzak voel ik een portemonnee branden. Ik haal de vijfenveertig euro van gisteravond tevoorschijn en vertel hoe ik eraan kom.
‘Ik waardeer je aanbod Cor,’ vervolg ik, ‘dat voelt heel liefdevol, maar naast dat ik je graag iets geef voor mijn verblijf, kan ik dit geld niet in mijn portemonnee laten zitten.’
Ik steek mijn hand uit en Cor neemt het geld aan. . Hij blijft even stil.
‘Nou Mundo,’ zegt hij dan, ‘weet je wat ik ga doen? Ik ga dit geld op dezelfde manier doorgeven als jij. Wat ontzettend mooi dit! En ik wil weten wanneer je boek uitkomt.’
Ik omhels een vriend, word uitgezwaaid door een vriend en reis verder met een borstkas die gloeit.


