Tot in ons bloed
—
Goed aangepast zijn aan een diep zieke samenleving, is geen maatstaf voor gezondheid.
— Jiddu Krishnamurti
—
Mijn vader kan best wel heel goed timmeren. Hij leerde me hoe ik dingen zelf kan maken. Ooit bouwden we samen een keuken van gebruikt steigerhout. Twee maanden lang werkten we er elk weekend aan. De keuken was toen nog niet af, maar we zagen allebei niet hoe verder. Na een half jaar met een halve keuken geleefd te hebben, wist ik waar de lades en de oven het beste zouden passen. Kort daarna hadden papa en ik één van de mooiste keukens voltooid die ik ooit heb gezien.
Ik heb weinig spullen en wordt weleens een minimalist genoemd. Voor mij voelt essentialist passender. Ik hou namelijk van spullen. Spullen die met liefde gemaakt zijn, die leven en kwaliteit ademen. Die spullen zijn alleen niet de standaard. Het overgrote deel van de gebouwen, openbare ruimtes, vervoersmiddelen en spullen die ik tegenkom, vind ik lelijk en doods.
De standaard verbaast me, maar ik ben hem ook gaan begrijpen. In een rente-economie sporen mensen zichzelf en elkaar immers continu aan om zoveel mogelijk, zo snel mogelijk, voor zo weinig mogelijk te produceren. De prijs die wij en de aarde hiervoor betalen, is reeds aan bod gekomen, maar ik zie nog een verlies.
Wij kopen alsmaar nieuwe dingen omdat nieuw goedkoper is dan repareren. We zetten meubels bij het grofvuil omdat we ze niet zelf hebben gemaakt. We gooien een derde tot de helft van ons eten weg omdat we het niet uit eigen moestuin halen.1Uit Mark Boyle, ‘I live without cash – and I manage just fine’, The Guardian. 28 oktober 2009, TheGuardian.com.
Kort gezegd: het gros van onze spullen en ons dagelijks brood wordt achteloos geproduceerd, achteloos geconsumeerd en achteloos afgedankt, omdat we er nauwelijks iets bij voelen. En wat voor consumenten geldt, geldt ook voor winkeliers, leveranciers en producenten. Aanbieders die weten — of willen weten — waar hun spullen en grondstoffen vandaan komen, laat staan onder wat voor omstandigheden ze zijn geoogst of gemaakt, zijn maar dun over onze winkelstraten gesmeerd.
In onze maatschappij bepaalt vooral de winkelprijs onze relatie met voedsel, meubels, apparaten en kleding, en in een zogenaamd druk leven is kwaliteit al snel teveel gevraagd. We willen wel meubels kopen die met liefde en aandacht gemaakt zijn, maar… We willen onze spullen niet laten maken door kinderhanden in lage lonenlanden, maar… We willen ons eten wel bij kleinschalige, biologische boerenbedrijven kopen in plaats van bij de supermarkt, maar…
Ook dit ben ik gaan begrijpen. Zelf veel werkzaam geweest in cafés en restaurants, heb ik legio horeca-ondernemers keuzes zien maken die volledig indruisten tegen de passie waarmee ze hun zaak ooit begonnen. Langere dagen draaien dan goed voelt en gezond is, broodjes gehaast in plaats van met aandacht bereiden, overstappen naar goedkopere leveranciers met slechte producten en alsmaar gestrester reageren op alles en iedereen, allemaal om de vaste lasten (waarvan huur of hypotheek meestal het leeuwendeel vormt) het hoofd te bieden, onderwijl vergetend waarom ze dit alles ook alweer deden.
Druk zijn en liefdeloze keuzes maken zijn twee ‘winsten’ van onze zucht naar comfort en vooruitgang. Een andere zogenaamde winst is de luxe om op eigen benen te staan. In onze maatschappij is het voor veel mensen tof om te kunnen zeggen dat ze financieel onafhankelijk zijn. Maar is dat werkelijk zo tof? Is het tof om te kunnen betalen voor de vrijheid om geen medemens te hoeven ontmoeten, bij niemand in het krijt te hoeven staan en je leven vooral via mobiele apps en bankrekeningen te regelen? En omgekeerd: is het tof om geen hulp te vragen, omdat je hulp niet kunt betalen en/of onbewust hebt geleerd dat je alles altijd in je eentje en op eigen benen dient op te lossen?
Wij staan niet op eigen benen en we zijn niet eenzaam. We staan op de aarde dankzij de aarde en we leven dankzij alles dat leven geeft. We laten ons alleen afsnijden van wat het leven rijk maakt, door onbewust te buigen voor het individualiserende, ‘onafhankelijk’ makende evangelie van nooit genoeg. En dit afsnijden verarmt ons niet alleen geestelijk; we worden er letterlijk ziek van.
Een voorbeeld.
Aan het eind van de negentiende eeuw lopen veel dorpen in Italië leeg. Eén van die dorpen heet Roseto Valfortore. De Rosetanen zijn hun armoede zat en maken de oversteek naar Amerika, in de hoop daar hun rijkdom te vinden. In de staat Pennsylvania stichten ze een nieuw dorp, onder de naam Roseto. De omgeving moet weinig hebben van de Italiaanse nieuwkomers, dus de Rosetanen leren snel dat ze vooral op elkaar zijn aangewezen.
Vijftig jaar later bestaat bijna elk huishouden in Roseto uit drie generaties: de oorspronkelijke immigranten, hun volwassen kinderen en diens opgroeiende kleinkinderen. Overdag is het dorp rustig. De kinderen gaan naar school terwijl hun ouders in een nabijgelegen steengroeve en kledingfabriek werken. ’s Avonds komt de boel tot leven. Dorpsgenoten lopen bij elkaar naar binnen en doen alsof ze thuis zijn. Ze zetten buiten tafels neer om Italiaanse feestmalen met elkaar te delen, gaan samen wandelen, organiseren festivals en vieren het leven.

In 1961 krijgt Roseto bezoek van een Amerikaanse arts-hoogleraar, Stewart Wolf. Hij komt spreken voor een groepje medici en drinkt na afloop een biertje met een lokale arts. ‘Weet je wat ik zo raar vind?’ mijmert de arts terwijl ze in de kroeg staan. ‘Bij ons is er veel minder hartziekte dan in ons buurdorp Bangor.’
Stewart spitst zijn oren. In het Amerika van de vroege jaren zestig is hartziekte reeds een epidemie. Onder mannen jonger dan vijfenzestig jaar is het zelfs de belangrijkste doodsoorzaak. Stewart wil meer weten, maar de lokale arts heeft geen verklaring.
Stewart vraagt de overlijdensaktes op van Roseto en omringende dorpen. Verbijsterd bladert hij tot zeven jaar terug in de tijd. In het buurdorp Bangor loopt het percentage hartaanvallen netjes mee met het Amerikaanse gemiddelde; in Roseto doen ze het met de helft minder. Bij mannen jonger dan vijfenzestig zijn hartaanvallen in Roseto zelfs vrijwel ongehoord.
Alle sterftes bij elkaar opgeteld, liggen die van Roseto dertig tot vijfendertig procent lager dan het Amerikaanse gemiddelde. En Rosetanen gaan vrijwel nooit naar de dokter.
Stewarts verbijstering zet hem aan tot een langlopend onderzoek. Jaren later zal één van zijn medeonderzoekers zeggen: ‘Roseto kende geen zelfmoord, geen alcoholisme, geen drugsverslaving en nagenoeg geen criminaliteit. Niemand in Roseto leefde van een uitkering en niemand had een maagzweer. Rosetanen gingen dood van ouderdom, that’s it.’
Hoe komt dit? Is het de olijfolie? Stewart huurt elf diëtisten in om mee te kijken terwijl de Rosetanen boodschappen doen en koken. Het komt niet door olijfolie; Rosetanen hebben geen geld voor olijfolie. Ze koken met varkensvet en bedekken hun pizza’s met worst en eieren. Ruim veertig procent van hun calorieën komt uit dierenvet.
Zijn Rosetanen misschien fitter dan elders? Ehm, nee, niet bepaald. In Roseto houden ze van sigaretten, drank en veel eten.
Zijn het de genen? Nee. Italiaanse Rosetanen die elders in Amerika zijn neergestreken, blijken even ongezond als de gemiddelde Amerikaan. Zo ook de nakomelingen van die Rosetanen.
Ligt het aan de geografie? Het klimaat? Het grondwater? Medische faciliteiten? Nee, nee, nee en nee: die zijn allemaal hetzelfde als in omringende dorpen.
Stewart en zijn collega-onderzoekers observeren zich het ongans en vinden geen fysiologische verklaring voor Roseto’s immuniteit. Wanneer na jaren alle opties zijn afgevinkt, kan Stewart maar één conclusie trekken: het ligt aan Roseto’s hechte gemeenschap. Die is niet alleen goed voor de geest; ze is goed voor het lichaam.
Was het onderzoek hier gestopt, dan hadden we nu één kant van het verhaal gehad. Stewart besluit echter om het dorp te blijven volgen, precies op het moment dat Roseto’s gemeenschap de eerste scheuren begint te vertonen. En wat wil de ironie? Dat de inzet van Rosetanen om hun kinderen een beter leven te geven, ondermijnt wat hun leven zo goed maakt.
Roseto mag dan wel immuun zijn voor ziekte; de jongeren vinden het een doodsaai dorp. Dankzij het harde werk van hun ouders kunnen ze weg om te studeren. Na een aantal jaren keren ze terug, samen met andere ideeën en vers bloed. Steeds vaker trouwen Italiaanse Amerikanen met niet-Italiaanse Amerikanen. Kerkbezoek daalt, drie-generatiewoningen worden één-generatiewoningen en al gauw blijkt de Amerikaanse droom te groot voor de kleine huisjes.
De jonge gezinnen trekken naar de rand van het dorp. Daar staan nieuwbouwwoningen, compleet met hekken, zwembaden en alle gemakken die een mens maar kan wensen.

Terwijl dit proces gaande is, verdubbelt het percentage hartziektes in Roseto en verdrievoudigt het percentage van inwoners die kampen met hoge bloeddruk. In 1980, bijna twintig jaar nadat Stewart voor het eerst het dorp inloopt, doet Roseto het qua hartaanvallen net zo slecht als de gemiddelde Amerikaan.
Stewart vult zijn oorspronkelijke conclusie aan: vanaf het moment dat we ons van elkaar verwijderen, zijn we een makkelijke prooi voor de uitdagingen van het leven. We worden vatbaarder voor stress en als stress lang genoeg aanhoudt, worden we ziek.
Stewart zal niet de enige zijn. Ook latere onderzoeken geven aan dat onze gezondheid en ons geluk mede worden bepaald door de kwaliteit van onze relaties. Een hechte, steunende gemeenschap houdt stress op afstand, voorkomt ziekte en kan ons zelfs genezen. Zonder zo’n gemeenschap gebeurt het omgekeerde.2Informatie over het ‘Roseto-effect’ haalde ik uit Lissa Rankin’s boek Mind over Medicine en uit ‘The Roseto Effect, class notes from the University of Illinois’, te vinden via Uic.edu. Een vrij bekend later onderzoek naar ’s werelds gelukkigste en gezondste samenlevingen, vind je in het veelgelezen boek Thrive: Finding Happiness the Blue Zones Way, geschreven door Dan Buettner.
Eigenlijk vind ik dit een open deur. Toch verwonderde het Roseto-verhaal ook mij toen ik erover las. Waarom, als het zó logisch is? Mijn antwoord nu is: omdat de verwarring waar we inzitten pas zichtbaar wordt wanneer we durven stilstaan — en durven kijken naar wat ons bezielt.
Echter, in een wereld waar nooit genoeg het tempo lijkt te bepalen, moet er bij veel mensen een hoop gebeuren voordat ze tot stilstand komen.
_
- 1Uit Mark Boyle, ‘I live without cash – and I manage just fine’, The Guardian. 28 oktober 2009, TheGuardian.com. ↩︎
- 2Informatie over het ‘Roseto-effect’ haalde ik uit Lissa Rankin’s boek Mind over Medicine en uit ‘The Roseto Effect, class notes from the University of Illinois’, te vinden via Uic.edu. Een vrij bekend later onderzoek naar ’s werelds gelukkigste en gezondste samenlevingen, vind je in het veelgelezen boek Thrive: Finding Happiness the Blue Zones Way, geschreven door Dan Buettner. ↩︎

