18 oktober 2014
Eigenlijk zouden we vandaag naar huis gaan, maar man wat lijkt het opeens op zomer hier! Nog één dag dus in het Franse gras, met de vrouw die ik sinds kort mijn vriendin mag noemen.
Ilse en ik maken een picknickmand en beklimmen de heuvel van het gehucht waar we verblijven. Boven aangekomen, vind ik het zo aangenaam dat ik besluit gehuld te gaan in slechts een witte onderbroek en een mouwloos shirt. Ilse vindt dat ik er uitzie als een schattig jongetje.
Ik vind vooral dat ik bijna blut ben.
Over niet-nieuwe ervaringen gesproken: bijna blut zijn heb ik vaker meegemaakt. De laatste keer was vorig jaar, rond deze tijd. Inkomsten droogden op en uitgaven stroomden door. Ik pakte de situatie met lichtheid op, gooide wat lijntjes uit en had ineens voor drie maanden werk. Het werk was best leuk, bij vlagen inspirerend en verdiende goed.
Nu is er geen uitgooibeweging. Ik mis iets. Een gevoel van verbinding met wat ik hier te doen heb. Nu lijntjes uitgooien, voelt vooral als werk zoeken om geld te verdienen, om rekeningen te betalen, zodat ik straks opnieuw werk kan zoeken om geld te verdienen, om rekeningen te betalen…
Eigenlijk is er geen probleem. Tenminste, dat is wat ik mezelf sinds een tijd vertel: Mundo, als je nu links laat liggen wat je niet werkelijk boeit en alleen nog maar ‘ja’ zegt wanneer je een Ja voelt, dan is het leven toch één groot feest?
Het zal. Feest is alleen niet het woord dat ik nu zou kiezen. Wat voornamelijk langskomt, al een paar maanden, is angst. Meestal klopt angst aan als een buurman die me vriendelijk komt vertellen dat zijn radio vandaag zachte onheilsmuziek speelt; soms loopt angst de deur plat zonder aan te kloppen. In beide gevallen voel ik me kleiner worden, beklemd raken en soms zelfs lamgeslagen.
Hartstikke leuk dus, doen wat ik het liefste doe en daarmee in mijn levensonderhoud voorzien; op dit moment zie ik vooral huur die elke maand van mijn rekening wordt afgeschreven, samen met de rest van mijn vaste ‘lasten’. Kortom: na zoveel maanden niet-weten, zit niet-weten vooral aan me te vreten.
Deze niet-nieuwe ervaring kan ik aanvliegen zoals ik eerder heb gedaan. Ik kan proberen in m’n uppie uit de put te klimmen, met tegenwerking van de angstgedachten die me erin houden. Ik begin alleen te ontdekken dat dit meestal niet werkt. Wat beter werkt, begin ik te ontdekken, is de beklemming een stem geven.
Een week terug, voordat Ilse en ik naar Frankrijk vertrokken, had ik Tom en Tom uitgenodigd voor een etentje. Beide Tommen ken ik van workshops bij Korrie. Ik wist van hun liefde voor LP’s en thuis stond een bak met DJ-platen al jaren te verstoffen. Hen een deel van de bak geven, leek me leuker dan ze nog langer laten verstoffen of verkopen.
‘Hartstikke leuk dat jullie er zijn!’ exclameerde ik met een grote glimlach, toen Tom en Tom voor de deur stonden. Vanbinnen voelde ik me hartstikke niet-leuk. Terwijl ik de mannen door de bak met platen liet snuffelen, ging ik verder met koken. In elke plaat die ik hen vervolgens uit de bak zag vissen, zag ik een stuk levensonderhoud door mijn mazen glippen. Pas toen onze borden bijna leeg waren, durfde ik mijn grimas af te doen: ‘Jongens, ik wil iets bekennen. Ik zit hier te doen alsof ik jullie die platen vrij en blij geef, terwijl ik me niet vrij en blij voel. Ik verdien erg weinig op dit moment, heb geen zicht op wat er komen gaat, worstel met vertrouwen en ben vooral bang.’
De Tommen luisterden. Toen ik klaar was, deelden ze over hoe dezelfde angst ook hen kon beklemmen. Ik voelde emoties en tranen loskomen die ik maanden had vastgehouden. Een dubbele opluchting, omdat we nu echt, samen en in contact aan tafel zaten.
Een dag later belde ik één van de twee Tommen op. ‘Tom,’ zei ik resoluut en tegelijkertijd onzeker, ‘ik loop al een tijd rond met een idee. Ik wil maandelijks een bijeenkomst organiseren, steeds vanuit een thema, om onszelf en elkaar te sterken in wat ons tot leven doet komen. Ik wil dit met iemand doen en ik denk aan jou. Wat jij?’
—‘Nou Moen!’ riep Tom. ‘Dat is precíes waar ik ook al een tijd mee rondloop! Zullen we elkaar na je vakantie zien?’
Ilse en ik gingen op vakantie en de beklemming reisde mee. Ook nu, terwijl ik bovenop een heuvel in een Frans gehucht een schattig en bijna blut jongetje zit te wezen, is er beklemming. Op mijn schoot ligt het boek dat ik ruim een jaar geleden bestelde.
Het eerste deel van van Charles Eisensteins Sacred Economics ging vooral over de economie van buiten. Nu neemt de tekst me mee naar de economie van binnen. Ik lees een vraag die ik ken: ‘Hoe kun je jouw gaven delen in de huidige geldeconomie én je brood verdienen?’ Ik lees antwoorden, richt me op, kijk naar de groene, beboste heuvels die zich voor ons uitstrekken en voel… holy shit.
Ik wil werk doen dat werkt. Ik wil mijn talenten delen en vrijgeven. Ik plak daar alleen steeds iets aan vast, namelijk dat ik er genoeg geld mee verdien. Met de wens genoeg geld te verdienen, is op zich niks mis, alleen…
Holy shit.
Ik zit te wachten
op mensen
die mij gaan betalen
zodat ik kan doen wat ik het liefste doe.
Holy shit.
Ik wacht met geven
tot het leven mij geeft
wat ik nodig heb om te geven.
Holy shit.
Zolang ik wacht met geven,
wacht het leven tot ik ga geven.
Het regent kwartjes, alsof er een enorme hemelse buidel is opengescheurd. Ineens voel ik mezelf ademen. Ik voel heerlijke, frisse, leven-gevende lucht mijn longen in en uit stromen. Bij elke ademteug voel ik me ruimer worden, groter.
Ik weet nog steeds niet wat nu, maar dat maakt niet uit. Wat ik zie, is

ideeën, verlangens, beweging,
vrij van geld, vrij van toestemming en vrij van alles,

stromen.

Ik heb geen beloning nodig om te kunnen geven.

Geven is de beloning.

Als ik niet geef, omdat ik anders dit of dat straks niet heb of kan, dan wacht ik op wat er al is.
Ik heb alles om te geven, altijd. Alles wordt me gegeven, continu en vaak op manieren die ik niet kan bedenken.
Ik heb dus nergens op te wachten; ik heb alleen te stoppen met denken dat ik eerst moet krijgen.

Eerder dacht ik nog het komt vanzelf wel, oftewel het geld komt vanzelf wel. Nu denk ik: Er komt helemaal niks vanzelf wel — het is er al.
O man wat voelt dit… wat voel ik me

Iets in mij wil opstaan en dansen, maar m’n denkhoofd praat me daar meteen vanaf. Ga eerst maar vanbinnen feestvieren. Ik pak mijn schrijfboek en zet wat eureka’s op papier. Dan kijk ik naar rechts. Ilse is diep verzonken in haar boek. Ik leg mijn hand op haar rug.
‘Mag ik wat delen?’
Ilse luistert zoals ze dat vaak doet: stil en met een open blik. Wanneer ik klaar ben, zijn we stil. Dan zegt ze: ‘Je ziet er nog steeds uit als een schattig jongetje.’

