Hoofdstuk 5. Zonder geld

Beeld van een vogel door een verrekijker, met aan zijn poot een ketting.
25 maart 2016 (twaalf weken zonder geld)

‘Maar… als je niet weet waar je heen gaat én je hebt geen geld, hoe kom je dan aan een bed?’

—‘Ik ben toch tot hier gekomen? Ik heb hier toch een bed?’

Martin werkt als manager bij Pillars of Hercules. Hij vroeg net hoe ik bij deze boerderij-met-café ben beland. Nu kijkt hij alsof ik niet bestaan kan. Verbouwereerd loopt hij het personeelshok uit. Ik blijf nog even zitten.

Officieel gezien mag ik drie kwartier lunchpauze nemen. Bijna niemand hier neemt ze, want ze zijn alle drie onbetaald. Als je korter pauze neemt, mag je eerder naar huis. Zo gaat tenminste de ongeschreven regel. Voor de meesten lijkt eerder naar huis gaan belangrijker te zijn dan rustig samen eten.

Ik ben hier nu drie dagen. ’s Nachts slaap ik in een klein appartement boven het café en overdag werk ik buiten of in de kas, samen met mensen die betaald krijgen. Dit maakt me een ‘vrijwilliger’ en wat is dat toch een raar woord eigenlijk. Of beter gezegd: wat wordt dat woord ontoepasselijk gebruikt. Alsof mensen die betaald werk doen, dat onvrij en onwillig doen.

Wat mensen in veel gevallen ook doen.

Dus ergens is het gebruik van ‘vrijwilliger’ hartstikke toepasselijk.

Nu Martin het hok heeft verlaten, zit ik alleen met een jongen die net kwam binnenlopen. Hij zit rechts van me, aan het hoofd van de lunchtafel. Zijn rug en hoofd hangen boven zijn bord. Aan zijn schort te zien, werkt hij in de keuken van het café.

‘Hoi,’ zeg ik.

De jongen kijkt op.

—‘O, hoi…’

Het komt er voorzichtig uit, alsof hij eigenlijk niet mag praten.

‘Ik heet Mundo.’
—‘O… Andrew.’
‘Hoe lang werk je hier al?’
—‘Vandaag is mijn eerste dag.’
‘En, hoe vind je het?’
—‘Wel oké… denk ik.’

Ik vraag Andrew hoe oud hij is. We raken aan de praat en hij begint te ontdooien. Praten mag.

Andrew is zestien en omdat hij zestien is, moet hij kiezen. Hij weet niet wat. Hij denkt Sportmanagement.
‘Waarom Sportmanagement?’ vraag ik.
—‘Dat is wat mijn vrienden gaan doen.’
‘En wat wil jij?’
—‘Weet ik niet. Geen Sportmanagement. Ik vind sporten heel leuk, maar ik wil er niet mijn werk van maken.’
‘Waarom doe je het dan?’

Hij kijkt me aan en blijft stil.

Andrew gaat gebukt onder school, ouders, vrienden en zijn hoofd. Allemaal zeggen ze al jaren wat hij moet doen. Nu hij bijna zestien is, lijkt het een gegeven: leven bestaat voor een groot deel uit dingen moeten die je niet wilt, maar wel moet.

Ik geloof dat Andrew wel beter weet. Ergens weet hij dat het niet de bedoeling kan zijn dat dingen nu eenmaal zo zijn, anders zou hij niet zo gebukt gaan.

Volgens mij ken ik Andrew. Mijn hele jeugd worstelde ik zoals Andrew nu worstelt. Net als hij, worstelde ik voornamelijk alleen. Ik durfde niet om hulp te vragen en wist überhaupt niet hoe dat moest, hulp vragen. Heel soms, bij mensen die mijn worsteling zagen, liet ik een stukje van de knoop zien waar ik in zat, maar meer dan een stukje gaf ik nooit prijs en altijd ging ik verder met worstelen. Want het was nu eenmaal zo.

Ons gesprek lijkt Andrew op te beuren. Hij is rechtop gaan zitten en vertelt enthousiast over zijn favoriete bezigheid: mountainbiken. Even lijkt hij vergeten dat hij hier ‘moet’ zijn. Dan, vrij plots, staat hij op. ‘Ik moet weer aan het werk.’

Andrew loopt het hok uit en er komt er een herinnering op, een ervaring die ik een paar weken geleden had, bij Monica in de tuin.

Ik ben nu meerdere dagen bezig met bramenstruiken uit de grond graven en blijf me verbazen over de eindeloze, vuistdikke wortelstelsels. Ik vind het steeds leuker worden, kijken hoe diep en hoe ver ze gaan.

Gravend en trekkend, zie ik in gedachten opeens een onzekere jongen van zestien verschijnen. De jongen voelt iets wezenlijks, elke dag, maar hij kan er met zijn hoofd niet bij.

Ik word de jongen die ik ooit was. Mijn buik begint samen te trekken. Het samentrekken kruipt omhoog, eerst naar mijn borst en dan naar mijn keel.

Ik leg de schop neer en er verschijnen andere mensen. Sommigen herken ik, anderen niet. Ik voel me eenzaam en onveilig. Ik ben bang. Het samentrekken in mijn keel begint te voelen als een dichtknijpen.

Tussen de mensen verschijnt een donker, vaag silhouet. Ik word banger. Ik wil niet dat het erger wordt dan het al is. Ik wil weg. Iets houdt me echter op mijn plek. Iets anders dan angst.

De silhouet beweegt naar me toe, de mensen beginnen te vervagen en ik ontwaar een welkome bekende. De Mundo van nu, achttien jaar ouder dan toen.

Het knellen in mijn keel verandert in een opzwellen, alsof er rozen in bloeien, en kruipt naar mijn ogen. Terwijl mijn ogen beginnen te tranen, spreekt de Mundo van nu me zacht en duidelijk toe.

‘Mundo, wat jij voelt, dat klopt. En dat het niet klopt, klopt ook. Ik heb geen sluitende antwoorden voor je, maar ik kan wel met je delen wat mij heeft geholpen een vrijer mens te worden, en dat wil ik je heel graag geven. Net zoals anderen hun antwoorden aan mij hebben gegeven.’

Ik voel een rilling en krijg kippenvel, net als op die dag in de tuin. Ik denk weer aan Andrew. Hij is nog niet de Andrew van straks. Misschien kan ik hem wijzen op wat hij in zichzelf nog niet ziet. Misschien heb ik dat al gedaan, door hem te vragen wat niemand hem vraagt.

Ons gesprek voelt alleen nog niet af.


Geïnspireerd?

Miracle Project logo off-white 1Mb

Help anderen dit boek te vinden door deze website te delen

en/of steun onze missie: