Hoofdstuk 5. Zonder geld

Beeld van een vogel door een verrekijker, met aan zijn poot een ketting.

Nederland

19 april 2016

De wielen van het vliegtuig kussen met een piep de Nederlandse grond. Ik zie een strakblauwe hemel. Ik voel me lichter dan toen ik drie maanden geleden uit Nederland vertrok. Sowieso ben ik lichter dan toen, want het zakje wisselgeld dat uitgroeide tot honderdvijftig pond zit niet meer in mijn tas. Eén derde is per brief onderweg naar Monica. ‘Stuur me maar overvloedige energie vanaf je verdere reis’, had ze gezegd, toen ze mijn zakje met wisselgeld van eerdere reizen niet wilde aannemen. Leuk om dat ook op deze manier te kunnen doen. Een tweede derde is onderweg naar Louis en Sandra, voor hun Care First initiatief en het derde deel heb ik bij Tangleha in een envelop met een briefje aan het prikbord gehangen.

Ik heb zin om weer in Nederland te zijn. En ik kijk ernaar uit mijn neef Wouter te zien. ‘Je mag bij mij logeren tot wanneer je wilt,’ schreef hij een paar weken geleden, ‘en ik kom je graag van het vliegveld ophalen. Ik wil je steunen om zonder geld van Schiphol naar Amsterdam te reizen.’ Bij het lezen voelde ik liefde en warmte. Lekker, dacht ik ook, dat treinkaartje is al geregeld.

‘O, dacht je dát?’ vraagt Wouter verbaasd nadat we elkaar hebben omhelsd. ‘Nee, dat was niet mijn bedoeling. Het is mijn bedoeling om je te steunen, om erbij te zijn en het mee te maken, Mundo die zonder geld van Schiphol naar Amsterdam reist.’

Ik barst in lachen uit. Creatieve Wouter. Ik had het kunnen weten en meteen maakt mijn maag een salto.

We lopen de hal van het vliegveld in en ik voel er weinig voor om te gaan liften. Volgens mij zijn automobilisten bij vliegvelden nog banger dan elders.

Wat een drogreden, denk ik meteen. Ik heb genoeg ervaring om te weten dat de enige slechte liftplek een plek is waar geen vervoersmiddelen langskomen. Laat ik mijn beslissing dus op een andere manier nemen. Onderbuik, wat jij, liften of treinen?

Bij liften schudt mijn buik Nee; bij treinen knikt hij Ja.

‘Oké, hoe zullen we dit doen?’ vraag ik Wouter, ergens hopend op een verlossend antwoord. Hij kijkt me aan en blijft stil. ‘Ja, oké, vervolg ik, ‘ehm, die kant op.’

Wouter volgt me naar een rood-wit geblokt kunstwerk. Boven het kunstwerk hangt een bord, ‘Meeting Point’. Mensen die op het kunstwerk zitten, doen dat meestal omdat ze op iemand wachten. Op mij bijvoorbeeld.

Ik benader een jongen met een open gezicht, wil hem aanspreken en dan pakt Wouter het woord. ‘Dit is mijn neef Mundo. Hij is net terug uit Schotland. Hij leeft, reist en werkt dit jaar zonder geld. Wil jij hem misschien helpen aan een treinkaartje naar Amsterdam Sloterdijk?’

De jongen lacht een vertwijfelde, vriendelijke en vooral ongemakkelijke lach.

—‘Ehm, n… nee.’

Terwijl ik vriendelijk en ongemakkelijk teruglach, zie ik in mijn rechterooghoek een vrouw naar ons kijken. Ik bedank de jongen, huppel drie keer naar rechts en sta voor een jonge, uitnodigende verschijning met een ietwat timide glimlach. Deze keer neem ik het woord.

‘Wat gaaf dat je dit doet’, zegt ze meteen. ‘Ja, dat doe ik graag. En ik wil je interviewen voor mijn blog, mag dat?’

Ze stelt zich voor als Houkje en gaat me voor naar de kaartautomaat. Weer bij het Meeting Point ontmoeten Wouter en ik de vriendinnen op wie ze zat te wachten.

‘We gaan een paar dagen naar Stockholm’, zegt Houkje.

—‘Ja,’ beaamt één vriendin, ‘maar ik wil wel nog wat eten.’

‘Wil je mijn wraps hebben?’ vraag ik terwijl ik mijn rugzak afdoe. ‘Ik kreeg ze in het vliegtuig en had geen trek. Ik ken ze van de heenweg en vond ze toen best lekker.’

Even word ik bekeken als een snoep-aanbiedende vreemde, wat ik ergens ook ben, maar dan klaart haar gezicht op: ‘Nou, graag.’

Ik wissel contactgegevens met Houkje en loop met Wouter naar het perron. De rit naar station Sloterdijk duurt elf minuten. Vanaf daar is het een half uur met de benenwagen naar Wouters huis. We wandelen tussen het spoor en het groen van het Westergasterrein. Overal zie ik korte rokjes. Opeens heb ik wél trek.

‘Ik heb eten gemaakt’, zegt Wouter, alsof hij mijn gedachten leest. ‘Het zit in mijn tas dus we kunnen in het park picknicken.’

Twee neven zitten op het gras. Allebei voelen ze nogal veel liefde. Liefde voor het leven, voor elkaar, voor Houkje en voor het eten op hun schoot. Ze genieten van elke hap. 

‘Zullen we openlaten tot wanneer ik blijf logeren?’ vraag ik. ‘Zullen we blijven afstemmen of het nog klopt? Dat voelt beter dan blijven tot wanneer ik wil.’

Wouter stemt kauwend in. We zijn omgeven door voetballende en frisbeeënde mensen. En korte rokjes.

Hallo lente. Hallo Nederland.


Geïnspireerd?

Miracle Project logo off-white 1Mb

Help anderen dit boek te vinden door deze website te delen

en/of steun onze missie: