Duncan oogt gezond en sterk. Hij draagt een bruine baard, heeft een ruig postuur en straalt een kalmte uit die ik heel prettig vind.
De eerste dagen op de boerderij werkten hij en ik af en toe samen, voornamelijk in stilte. We leken weinig te bespreken te hebben. Toen zag ik hem tijdens een lunchpauze iets vanaf zijn telefoon aan een collega tonen.
‘Duncan,’ zei ik toen ze uitgepraat waren, ‘ik hoorde je net de woorden “groene”, “vrachtwagen” en “huis” zeggen. Dat maakt me benieuwd. Wil je er iets over vertellen?’
Duncan haalde opnieuw zijn telefoon tevoorschijn. Een half uur later waren we onze drie onbetaalde lunchkwartieren ruimschoots gepasseerd. Ik voelde me geïnspireerd. Ik wilde zijn droom in levenden lijve zien, eraan meeklussen en er een korte film van maken. Vanaf vandaag gaat dat gebeuren. Ik verhuis van de Pillars-boerderij naar de woonkamerbank van Duncan en zijn jonge gezin. Vier dagen lang eet, klus en plant ik samen met hem, zijn vriendin Roxanne en hun babyzoon Ruaridh (‘Reuwri’). Op dag vijf gaat de camera aan.

Duncan, Roxanne en Ruaridh zijn een oude verhuisvrachtwagen aan het ombouwen tot mobiel huis. Ze willen hun appartement en dure huur vaarwel zeggen, zelf groenten en fruit verbouwen en de oogst direct aan de mensen verkopen. Zonder keurmerk.



Dit drietal bezit geen land. Ze mogen een stukje grond gebruiken dat op termijn verkocht gaat worden. Ze zouden er bomen willen planten en een ecosysteem willen creëren dat zichzelf overeind kan houden en versterken, wetende dat ze op een gegeven moment weg moeten. Ze willen hun energie alleen niet verspild zien worden door een toekomstige eigenaar die niet van bomen houdt.
‘Wat zou het meest ideale zijn?’ vraag ik.
—‘Een stukje land waarop we kunnen investeren voor de toekomst, misschien samen met gelijkgestemden. We hoeven geen eigenaar te zijn, maar we willen onze tijd en aandacht wel stoppen in iets dat mag groeien om te blijven.’


