Hoofdstuk 5. Zonder geld

Beeld van een vogel door een verrekijker, met aan zijn poot een ketting.
31 mei 2016 (vijf maanden zonder geld)

Zo leuk als ik het vond om weer voet op Nederlands bodem te zetten, zo onrustig voelde ik me al gauw na de jaartraining. Ik begaf me op bekend terrein, was omgeven door bekende mensen en toch was ik bang. Banger dan in Schotland.

In Schotland boeide het me minder wat mensen ervan vonden, Mundo zonder geld; in Nederland boeide het me meer en dat kwam vooral door een onwelkom gevoel. Dat verder aangewakkerd werd door een botsing met Wouter.

Wouter en ik zijn te eerlijk geworden om schone schijn met droge ogen te kunnen hooghouden. Dat is soms leuk, soms lachwekkend en soms confronterend. De confronterende momenten weten we niet altijd makkelijk te trotseren en na een paar weken stonden we voor de vraag: blijft Mundo bij Wouter logeren, of kunnen Mundo en Wouter het trotseren beter even los van elkaar doen? We hadden geen antwoord en spraken af het nog even open te laten. Hartstikke mooi, en precies waar ik zelf om had gevraagd. Toch stelde ik een bericht op voor vrienden. Gewoon,voor de zekerheid.

‘Kan ik over een week een paar dagen bij jou logeren? Ik weet nog niet of ik een plek nodig heb, maar zou het kunnen als ik een plek nodig heb?’

Al typende werd ik me bewust van een verkramping. Ik stopte, nam de ruimte om te voelen en voelde wat er al weken was. Angst.

Het bankje in Schotland verscheen in mijn gedachten. Even sputterde mijn hoofd nog Ja, maar ik moet zorgen dat… en toen werd het stil. Ik voelde mezelf ademen, begon waar te nemen wat ik lijfelijk voelde, liet mezelf bang zijn en begon te ontspannen.

Net als toen op dat bankje kwam er vanzelf een vraag. Deze keer niet Wat is het ergste dat er kan gebeuren?, maar Wat voelt nu het meest levendig?

Wachten, klonk het. Jij weet het niet, Wouter weet het niet en dat is oké. Het wordt vanzelf helder. Vertrouw. Je zult weten wat je moet weten wanneer je het moet weten.

Ik voelde mijn lichaam verder ontspannen. Opnieuw kwam dat besef: mijn gevoel van welkom zijn is boven alles aan mij en in mij.

Alsof het universum op het besef had zitten wachten, kreeg ik in de dagen die volgden van meerdere kanten bericht: ‘Hé Mundo, leuk dat je weer in Nederland bent! Als je ooit een slaapplek nodig hebt…’

Dat was een ontmoeting met welkom. Kort daarna was er een ontmoeting met genoeg.

Op een zondagochtend hielp ik Teun met zijn verhuizing naar Amsterdam. Hij trok in bij Rob en Yenny. Het tillen liep gesmeerd en om elf uur zaten we al aan de koffie. Rob vroeg of ik een week later wilde helpen met de vloer verven. Dat wilde ik. Ik kwam, we verfden en tijdens een pauze wilde ik wat vragen.

Mag ik het vragen?

Is het oké dat ik dit vraag?

‘Heeft één van jullie een tube tandpasta over? Die van mij is leger dan leeg.’

Teun liep naar de badkamer en kwam glimlachend terug met een halfvolle tube.

‘Gek hè?’ vraag ik. ‘Jullie vragen of ik wil helpen met verhuizen en verven, ik kom beide met plezier doen, maar als ik jullie iets wil vragen, moet ik mezelf ergens overheen zetten.’

—‘Terwijl ik het alleen maar leuk vind dat je ’t vraagt’, zegt Teun. ‘Maar ik herken het. Geven vinden we meestal toch makkelijker dan vragen.’

‘Mundo, hoe doe je dat nu eigenlijk hier in Amsterdam, zonder geld?’ vroeg Yenny.

—‘Ik logeer nu drie weken bij mijn neef Wouter, die alles met me deelt, ook eten.’

Ik zei het zogenaamd open en vrij, maar onder mijn woorden voelde ik een zweem van schuld en schaamte — en verdedigingsdrang.

‘Ik help hem hier en daar,’ vervolgde ik, ‘en laatst ging ik een dag bij Helene schilderen, die me een tas vol boodschappen gaf voor bij Wouter.’

—‘O,’ reageerde Yenny met oplichtende ogen, ‘wij willen je ook wel een tas met boodschappen geven.’

Rob en Teun vielen enthousiast bij.

‘Ehm… wauw… dank jullie wel. Ehm… mag het ook een tasje toiletspullen zijn?’

—‘Natuurlijk! Zullen we dat dan meteen na het verven doen?’

We maakten de verfklus af, mochten het huis even alleen laten (op een natte vloer is het niet handig lopen) en wandelden met z’n vieren naar een verzorgingswinkel in de Jordaan. Ik voelde onrust en had daar helemaal geen zin in. Toen we bij de winkel aankwamen, zei ik zo zelfverzekerd mogelijk: ‘Jongens, voordat we naar binnen gaan: ik heb net een lijstje gemaakt en wil even checken welk bedrag voor jullie kloppend voelt.’

Rob gaf de vraag meteen terug: ‘Wat staat er op je lijst?’

Ik liet het lijstje zien alsof het een schuldbekentenis betrof.

‘Oké,’ zei Rob na een korte blik. ‘Zullen we eerst naar binnen gaan en kijken hoeveel het is?’

We liepen naar binnen en ik begroette de eigenares. ‘Hé wereldreiziger!’ exclameerde ze. Na een korte uitwisseling begon ik te pakken wat er op het lijstje stond. Toen keek ik naar de verzameling op de toonbank en dacht ik Nee. Het was geen bezwaarde Nee; het was de Nee die zich afvroeg: Wat heb ik hier nu echt van nodig?

Ik keek en keek en hoe meer ik keek, hoe minder ik zag.

Lijstje waarop doorgestreept staat wat ik niet nodig heb, met daarachter mijn overweging: Tandenstokers — Ik heb nog genoeg voor een paar maanden. Tandenraggers — Ze hebben hier niet de raggers die ik wil. Ga ik dan deze kopen omdat ik anders geen raggers heb? Nee. Oordruppels — Waarom eigenlijk… Ik kan ook gewoon olijfolie gebruiken. Douchegel — Heb ik al zes maanden niet en ook niet gebruikt. Waarom ballast verzamelen die misschien ook nog eens gaat lekken?

Alles waar een denkbeeldige streep doorheen kwam, legde ik terug. Ik voelde me lichter, schoner. Rob rekende af en ik liep vervuld naar buiten. Ik had een hele dag ‘gewerkt’ en veel meer uit deze winkelgang kunnen halen, maar ik had het gehouden bij genoeg en dat voelde heerlijk overvloedig. Vanbinnen glunderde ik.

‘Zo,’ zei Rob, ‘en nu gaan we onszelf en jou trakteren op een biertje en een etentje.’

’s Avonds, in bed, liet ik mijn blik over de dag gaan en dacht ik plots aan twee zomers geleden. Vers uit de bergen van Schotland, liep ik voor het eerst weer een dorp in. Ik heb nu toch echt shampoo en huidcrème nodig, vertelde ik mezelf op weg naar een supermarkt. Een half uur lang stond ik voor een schap met verzorgingsproducten. Ik pakte dingen die ik normaliter elke dag gebruikte, maar in de bergen geen één keer had gemist. Hoe langer ik ze vasthield en hoe meer ik keek, hoe minder noodzaak en zelfs verzorging ik zag. Sinds die dag spoel ik mijn haar met water. Shampoo of zeep gebruik ik niet meer. Ter controle heb ik het bij anderen gecheckt en zij vinden mijn haar net zo gezond ogen, voelen en ruiken als ik. Deodorant-flesjes zijn vervangen door baksoda en ook speciaal geformuleerde huidspulletjes zijn verleden tijd; ik gebruik nu pure kokosolie.

Terwijl ik lag te mijmeren, verscheen ook de lijst met overlevingsspullen die ik had opgesteld voor mijn strakke plan aan Ted. Hoe dichter ik bij de start van mijn experiment zonder geld kwam, hoe minder essentie ik op die lijst zag, hoe meer er vanaf viel.

Genoeg ervaring met genoeg, zou ik dus kunnen zeggen. Toch bleek het na bijna vijf maanden zonder portemonnee, bij het opstellen van een lijst voor in de gezondheidswinkel nog steeds makkelijk gedacht: dit erbij en dat erbij en ja, maar dat heb ik ook nodig!

Sinds die verfdag zie ik ze, meer dan voorheen: winkels waar ik even binnenliep, even iets ging halen en even mijn portemonnee trok. Winkels waar ik dat nu niet kan. Tenminste, niet even. Als ik graag iets wil hebben, kan ik naar binnen lopen met een creatief (werk)voorstel of iemand vragen om het me te geven, maar even en anoniem mijn portemonnee trekken zit er momenteel niet in. Ik heb contact te maken.

Dit brengt me op bijzonder terrein. Als ik iets wil of denk nodig te hebben, roept dit onvermijdelijk de vraag op: Ja, en is het belangrijk, echt? Bijna elke keer is het antwoord Nee. En dat is best wel leuk, want nu ik niet zomaar kan consumeren, merk ik dat ik steeds minder wil. Laatst liep ik bijvoorbeeld met Koen door de Kinkerstraat, toen hij ineens stopte en zei: ‘Ik haal hier even een koffietje. Wil jij ook iets?’ Ik liep mee naar binnen, keek rond en zei: ‘Nee, dank je.’

Dat is geen wereldschokkend antwoord natuurlijk, maar eerder zou ik makkelijker ‘ja’ hebben gezegd. Gewoon, omdat me iets werd aangeboden. Nog wat eerder liet ik me glazen bier in de hand drukken. Gewoon, omdat men bier hoort te drinken wanneer men in de kroeg staat. Ook als men eigenlijk geen zin heeft in bier.

Ik begeef me in een stad die mensen overspoelt met reclames, aanbiedingen en ‘als je dit koopt, wordt je leven beter!’. Meer dan ooit glijden ze langs me heen en minder dan ooit voel ik een drang naar opvulling. Die leegte leeg kunnen laten, voelt rijk. Dus na een wankele, bange en bezwaarde eerste paar weken weer in Nederland, loop ik nu behoorlijk in mijn Amsterdamse nopjes te wezen.


Geïnspireerd?

Miracle Project logo off-white 1Mb

Help anderen dit boek te vinden door deze website te delen

en/of steun onze missie: