31 maart 2016 (drie maanden zonder geld)
Vandaag word ik opgevolgd door een nieuwe ‘vrijwilliger’. Het bed van mijn slaapkamer is schoon, de kamer is netjes en ik neem afscheid van de Pillars-boerderij. Plus van Andrew.
Ik vind hem in de keuken en vraag of hij even mee wil lopen. Buiten geef ik hem een kleine buidel, één van de vijf die een vriendin me gaf voor op reis. Ik heb er een tijger ingedaan, uit de verzameling minidieren die een vriend me gaf voor op reis. ‘Om te geven aan mensen die je onderweg ontmoet’, hadden ze allebei gezegd, alsof ze het samen hadden bekokstoofd.

Ik geef Andrew ook een kaart met daarop een kort bericht. De precieze woorden laat ik voor hem, maar ze komen overeen met wat de Mundo van nu zei tegen de Mundo van toen.
Andrew kijkt naar het pakketje. Ik hoor een vertwijfelde ‘O, thank you’. Hij opent de buidel, haalt de tijger tevoorschijn en krijgt een glimlach op zijn gezicht. Dan richten zijn ogen zich op de kaart. Hij kijkt er langer naar dan hij nodig heeft om de woorden te lezen. Als hij weer opkijkt, zegt hij: ‘Dit is het mooiste dat iemand me ooit heeft gegeven.’

