Dertien dagen later
Stephen en ik zitten op het bankje aan de kleine rivier. We zijn stil.
‘Ik weet van stammen in Zuid-Amerika,’ zegt Stephen dan, ‘die kunnen horen hoe gezond een rivier is. “Gezonde rivieren zingen,” zeggen ze.’
Ik luister.
We hebben niet zoveel meer te bespreken.
‘Wanneer vertrek je?’ vraagt hij.
—‘Morgenochtend. Ik denk rond half tien.’
‘Dan zie ik je morgen rond negenen.’
Lendrick Lodge is een retraitecentrum middenin de Schotse heuvels. Mijn Nederlandse vriend René kwam hier twee jaar geleden als vrijwilliger. Nu woont en werkt hij er, en op zijn uitnodiging zou ik een maand mee komen wonen en werken. Ik had er zin in.
Anderhalve week na mijn aankomst was de zin ver te zoeken. Mijn linker grote teen was bij Monica gaan ontsteken en raakte steeds ontstokener. Dat was op zich nog te doen. Wat me echt parten speelde, was een gevoel van eenzaamheid. Iedereen bij Lendrick keek me scheef aan, zelfs eigenaar Stephen, met wie ik dacht een klik te hebben. Of was ik degene die zijn hoofd scheef hield? Ik wist het niet, maar ik voelde dat er iets was. Dus na me een paar dagen klote, eenzaam en scheef te voelen, ging ik aan het eind van een werkdag bovenop een heuvel zitten, om niet te genieten van een prachtige zonsondergang.
Wacht even, Mundo…
Ik blijf voelen wat ik voel omdat ik in m’n uppie met dit gevoel blijf zitten. Als ik eruit wil komen, heb ik me uit te spreken.
’s Avonds liep ik Stephen tegen het lijf.
‘Hey Mundo, ik hoorde van Ellen dat je me graag wilt spreken. Zullen we even gaan zitten?’
Stephen ging me voor naar een lege groepsruimte, waar we twee stoelen tegenover elkaar zetten.
‘So, Mundo, what’s up?’
Ik vertelde over mijn worsteling met de manager. Dat ik me opgejaagd voelde door een stress die ik nergens voor nodig vond. Dat ik haar de hele tijd dingen hoorde zeggen en doen die voor mij niet klopten. Dat ik had geprobeerd dit met haar te bespreken, maar dat dit geen soelaas had geboden en het zowel mijn werk als verblijf bij Lendrick parten speelde. Over andere scheve gezichten begon ik nog even niet. Stap voor stap.
‘Dank je wel dat je mij dit vertelt’, zei Stephen rustig. ‘Ik laat dit even bezinken en ga kijken wat ik hiermee doe.’
—‘Fijn, Stephen.’
‘Geen probleem. Hey, en Mundo, er is iets waar ik het met jou over wil hebben.’
O?
‘Ik heb meerdere klachten over je ontvangen.’
Huh?
Stephen deed verslag.

Op een avond was ik de keuken in gedanst, gehuld in slechts een onderbroek. ‘Grappig, Mundo, maar niet echt appropriate.’

Ik had met de gastkokkin staan flirten. ‘Ik zie het je doen, Mundo, en er is niks mis met flirten, maar je lekt seksuele energie. Ze heeft gezegd zich bij jou niet prettig meer te voelen.’

Als één van velen hier (en waarschijnlijk geïnspireerd door velen hier), had ik op precies een verkeerd moment het woord ‘fuck’ in mijn mond genomen: ‘Waar mijn dochtertje bij stond.’

Tuinman Stevie had van mij het predikaat ‘goeroe’ gekregen, omdat ik zo onder de indruk was van zijn onvermoeibaarheid. Stevie bleek echter iets anders te hebben verstaan. ‘Je noemde hem een “girl” en nu heeft hij de pest aan je.’
Er volgden nog wat klachten. Verbaasd liet ik me lamslaan, alsof ik zonder waarschuwing een boksring was ingesmeten.
‘Hoe is het voor je om dit te horen?’ vroeg Stephen toen hij klaar was.
Ik voelde tranen opkomen.
‘Ik merk dat het me raakt,’ zei ik hortend, ‘dat het pijn doet…’
Ik viel stil. Stephen liet me. Ik probeerde niet te bedenken wat te zeggen.
‘Ik voel herkenning bij wat je zegt… en… onschuld.’
Onschuld. Ik had het woord niet kunnen bedenken, maar ik snapte het meteen. Ik had me bij Lendrick als een klein, onveilig kind gedragen, onbewust op zoek naar de bevestiging dat ik niet welkom was. Want dat is hoe ik me sinds de eerste ochtend voelde: niet welkom.
‘Ik ben blij dat je de tijd neemt om me dit te vertellen, Stephen,’ zei ik door de tranen heen. ‘Ik weet niet wat er aan de hand is. Ik vraag me al dagen af of ik hier wel moet zijn. En ik kan me voorstellen dat je het niet makkelijk vindt om dit gesprek aan te knopen.’
Stephens gezicht werd zachter dan het al was. ‘Nee, ik vind dit niet makkelijk, en dat komt mede doordat ik op dezelfde plek heb gezeten als jij nu. Meerdere keren. Dat was elke keer niet leuk, maar het bracht me wel elke keer verder.
‘Ik zie mezelf in jou Mundo, vanaf het moment dat we elkaar ontmoetten. En weet je? Ik vind je een toffe peer. Iedereen hier vind je aardig, ook de mensen die over je klagen. Bijna allemaal zeggen ze: “En dat terwijl het zo’n leuke kerel is.”
‘Mundo, ik zit hier niet om de lijn te verbreken, maar wat ik bij jou zie — en meestal heb ik hier wel een goed oog voor — is dat je nu niet als vrijwilliger in een retraitecentrum moet zijn. Ik denk dat je ons moet verlaten, niet om nooit meer terug te komen, maar juist om terug te komen. Om ons en de wereld te geven wat je hebt te geven. Wat je me vorige week in de auto vertelde, over wat je bezighoudt en hoe je naar de wereld kijkt, dat is geen slagroom op een taart; dat is echt.’
Dat laatste was natuurlijk leuk om te horen, maar alles daarvoor voelde net zo raak. In mij bleef het stil. Ik had niets tegen Stephens woorden in te brengen.
We stonden op en omhelsden elkaar. Ik trilde, snikte, huilde en hoefde niet te weten waarom.
‘Je hoeft niet meteen weg,’ zei Stephen toen we elkaar loslieten. ‘Voel je vrij om hier nog een paar dagen als gast te blijven. Eet mee, geniet van de natuur en ontspan.’
Het was ironisch. Precies op het moment dat we afspraken dat het beter was dat ik Lendrick Lodge zou verlaten, voelde ik me er thuiskomen.
Toen ik de kamer inliep die René met me deelt, zat hij op zijn bed met pen en papier. Aan zijn blik zag ik dat hij wist waar ik net vandaan kwam. We praatten nog even en toen ging ik naar bed.
Om niet te kunnen slapen.
De Wat nu? vraag hield me een bezig, een beetje, maar wat me wakker hield, was het gesprek met Stephen. Dat begon te woekeren.
Mensen die over me klagen in plaats van eerst naar me toe te komen? Leuk met me meelachen terwijl ik in mijn onderbroek de keuken in dans en vervolgens achter mijn rug om zeggen dat ze het niet vinden kunnen? Niemand hier die een zin kan zeggen zonder het woord ‘fuck’ te gebruiken — en mij pakken wanneer ik dat ook een keer doe?! Nee lieve mensen, dit is niet allemaal van mij.
—O wacht even, dit is natuurlijk die fameuze Britse gereserveerdheid…
Nee, dat is het niet. Ik heb jarenlang in restaurants en kroegen gewerkt, in Nederland, Australië en Nieuw-Zeeland. Overal werden zaken achter pokergezichten weggestopt in plaats van aangekaart. Overal groeiden muggen uit tot olifanten en overal maakten die olifanten behoorlijk wat stuk.
—Ja, inderdaad. Trouwens, bij ons thuis vroeger was het ook niet anders. Op heel veel plekken is het niet anders. We spelen zo lang mogelijk mooi weer — ‘Lovely day, isn’t it love? —Ooh yes, a lovely day, it sure is!’ — tot we niet meer kunnen en er een bom barst. Of tot de bom nooit barst, maar achter onze ruggen om door blijft etteren.
In de smiezen had ik de boel, vond ik. En ik vond dat ik de oplossing had — nee, wacht: de oplossing wás.

Ik lag te genieten van mijn slimmerikheid. Toen kwam er ineens een

Shit.
Ook ik.
Op de manager na was ik op niemand afgestapt. Geen van de mensen waar Stephen over had gesproken, had ik benaderd, terwijl ik bij al die mensen voelde dat er iets was. Ik wilde wel contact maken — en in mijn gedachten deed ik dat ook, tig keer zelfs — maar het echt doen deed ik niet. Ik durfde niet. Of toch wel. Nee toch niet.
Manmanman wat een hoop wel of niet durven, shit bij mezelf zoeken, bij de ander leggen en weer bij mezelf zoeken, in m’n uppie, terwijl ik ook direct op de man of vrouw had kunnen afstappen.
Hoe simpel eigenlijk…
Hé, maar wacht eens… Als ik hier bij Lendrick niet op mensen durf af te stappen (en ik durf tegenwoordig best veel), hebben zij dan niet hetzelfde bij mij? Mag ik niet dankbaar zijn dat ze zich wel uiten, ook al doen ze het indirect?
De slimmerikheid smolt. Ik had geen gelijk, zij hadden geen gelijk, niemand had gelijk. Mijn hoofd liep leeg en ik viel in een diepe slaap.
De volgende ochtend werd ik wakker met een fris gevoel. Er was een nieuwe ruimte, een nieuwe mogelijkheid. En een Wat nu? vraag.
De eerste optie die door me heen schoot, was teruggaan naar Monica. De tweede was naar Louis en Sandra gaan. Die wonen in het hoge noorden van Schotland wanneer ze niet in Nederland zijn en ik wist dat ze niet in Nederland waren.
Monica nam meteen op en zei dat ik terug mocht komen, maar alleen als ik huur zou betalen, want ze zat erg krap bij kas.
‘Misschien wil iemand je verblijf sponsoren?’
—‘Ehm, dat laat ik even bezinken. Mijn eerste impuls is dat ik dat geen goed idee vind. Ik kom bij je terug.’
Ook Sandra nam meteen op.
‘Ehm, ik laat dit even bezinken, Mundo. En ik zal het met Louis bespreken. Ik kom bij je terug.’
Een dag later stuurde Sandra bericht. Zij en Louis hadden me met alle liefde ontvangen, maar voelden nu geen ruimte. Ik was niet verrast. En het klopte. Ik had opties afgebeld waar ik zelf al geen leven bij voelde. Want ik was bang, besefte ik. Bang voor wat ik eigenlijk al wist dat ik ging doen: vertrekken bij Lendrick zonder te weten waarheen.
Als ik wil ervaren waarom ik deze reis ben begonnen, heb ik mezelf in het diepe te gooien. Vertrekken zonder te weten waarheen vond ik niet per se leuk, maar het voelde als het juiste om te doen — en het gaf me een ‘oeh, spannende schoolreis!’ gevoel.
Ik belde Monica om te zeggen dat ik niet zou terugkomen. Het werd een heel ander gesprek. Veel rustiger. Monica kon delen over de geldstress die ze in ons eerdere gesprek aan het woord had gelaten; ik kon delen over de koudwatervrees die op zoek was gegaan naar houvast. Ik voelde oprechtheid, contact, liefde. We bedankten elkaar, wensten elkaar alle goeds en hingen op. Sandra en Louis bedankte ik via e-mail, blij met hun eerlijkheid naar mij.
Dat was gisteren. Nu zitten Stephen en ik buiten op het bankje bij de rivier. Ik heb hem verteld over mijn vertrek en mijn inzichten.
‘Stephen, ik heb nog een vraag. Wat er tussen mij en anderen gebeurd is hier, zegt dat niet ook iets over de cultuur bij Lendrick?’
Stephen laat de vraag binnenkomen. De rivier klatert.
—‘Ja.’
‘Weet je, Mundo, wij zijn ook aan het leren. In de vaart der dingen verliezen we soms de groepsdynamiek uit het oog. Ik ben blij dat je je laat horen. Je geeft me de kans ergens naar te kijken.’
Ik blijf stil. Ik voel oprechtheid, contact, liefde. En dat is toch wel waar het leven om draait, vinden we, nadat we de rivier een tijdje hebben horen zingen.
We staan op en spreken af elkaar morgen rond negenen te zien.

