Hoofdstuk 5. Zonder geld

Beeld van een vogel door een verrekijker, met aan zijn poot een ketting.
5 april 2016

Hoewel Duncan en Roxanne waarheid voelen bij hun droom, laten ook zij zich regelmatig om de tuin leiden door ‘ja, maar’. Onze ontmoeting heeft hun vuur weer aangewakkerd, zeggen ze. Ik zeg dat dit geheel wederzijds is. Ik ben vervuld en geïnspireerd. En het is tijd om weer uit elkaar te gaan. Zo voelt het in ieder geval, van beide kanten. Misschien kom ik terug voordat ik weer naar Nederland ga, misschien niet. Eerst maar kijken waar ik vandaag terecht ga komen, want ik heb opnieuw geen bestemming.

Ik wandel naar Rosemary, een Ierse die ik vorige week bij Pillars ontmoette. Ze zat buiten op een bankje en ik sloeg haar vanaf een ander bankje gade terwijl ze in alle rust zat te breien, af en toe een slok nemend van een kop thee. Ik genoot van het beeld, raakte met haar aan de praat en ontdekte dat ze zo ongeveer alles kan dat mensen met handen kunnen. Rosemary haalt haar voldoening vooral uit een simpel, eerlijk leven waarin ze maakt wat ze zelf maken kan en leert maken wat ze nog niet zelf maken kan.

We hebben afgesproken elkaar gedag te zeggen voordat ik weer op pad ga. Wanneer ze de deur opendoet, zie ik nog een vrouw. Ze stelt zich voor als Catherine en wil alles weten over mijn reis. Binnen begin ik te vertellen.

‘Hé, maar als samen met mensen en natuur leven je ding is’, zegt ze, terwijl we rondom een pot thee zitten, ‘dan vind je Tangleha denk ik wel leuk. Ik heb er gewoond.’

Catherine vertelt over Tangleha en ziet mijn ogen groter worden.

‘Zal ik kijken of je er terecht kan?’

—‘Ja, super.’

Ze belt naar één van de bewoners, Caspar. Die neemt niet op, dus laat ze een bericht achter. Ik besluit om ernaartoe te liften en te zien wat er gebeurt. De meiden laten me uit en vijf seconden nadat ik mijn duim opsteek, staat er een auto voor mijn neus.

‘We hebben nog maar drie kilometer te gaan,’ zegt de bestuurder, ‘dus aan ons heb je niet zoveel.’

—‘Maar wel drie kilometer’, zeg ik. Ik stap in. De bestuurder heet Jim en naast hem zit zijn schoonbroer, wiens naam ik vergeet. Drie kilometer verderop besluiten ze om iets verder te rijden. Weer wat verder besluiten ze om nog wat verder te rijden, tot aan de noordkant van het schiereiland Fife. Daar aangekomen, besluiten ze om over de brug naar het vasteland te rijden. Daar aangekomen, besluiten ze nog een stuk te rijden. En nog een stuk.

‘Ja, ik vind dit eigenlijk te leuk!’ zegt Jim. ‘We hebben ook de tijd vandaag, we hoeven niet voor zessen terug te zijn.’

De mannen kijken elkaar kort aan. Dan draait Jims schoonbroer zich naar me toe: ‘Weet je, we brengen je gewoon naar waar je zijn wilt.’

Dit overkomt me niet voor het eerst, mensen die verder rijden dan ze eigenlijk van plan waren, maar anderhalf uur verder heb ik nog nooit meegemaakt. Ik bedank ze hartelijk.

‘Graag gedaan. En jij bedankt. Nogmaals: dit vinden we heel leuk.’

Na anderhalf uur rijden, draaien we een pad op dat naar Tangleha leidt. Daar uit de auto gestapt, zie ik twee mannen buiten aan het werk. Ik loop er met mijn gezelschap heen. Eén man blijkt Caspar te zijn. Hij hoorde Catherine’s bericht en vernam bij het terugbellen dat ik reeds onderweg was. Zijn verbaasde blik wekt niet de indruk dat hij me ook daadwerkelijk zag komen vandaag. Ik krijg ook geen ‘Welkom’ of iets dergelijks. Jim en zijn schoonbroer breken wat ijs door te zeggen dat ze naar huis gaan. Ik loop met ze mee naar hun auto, zwaai ze uit en keer terug naar de mannen, niet wetende of ik hier zal blijven vandaag.

Tangleha is een kleine gemeenschap aan de noordoostkant van Schotland. Het huis waar de gemeenschap woont, staat vijftig meter van de zee. Caspars vader legde er de eerste stenen. Toen hij een paar jaar geleden overleed, nam Caspar het roer over en doopte hij de plek om tot een ‘Artists Collective’.

Caspar en zijn medebewoners willen van Tangleha een basis maken die natuurlijk bouwen en zelfvoorzienend leven promoot. Ze willen een bron van kennis worden over hoe we de aarde mooier kunnen maken en een broedplaats zijn voor kunst en creativiteit. 

Iedereen woont in het huis, behalve ik. Ik word door een jongere bewoner naar de enige nog vrije ruimte geleid: een minihuisje dat deels in een heuvel is gegraven. ‘Het staat er nog maar twee jaar’, zegt hij hartelijk. ‘Je kunt er vanavond slapen.’

De binnenruimte van het huisje heeft het formaat van een kleine caravan. De muren, de grond en zelfs het onderstel van het bed zijn gemaakt van onbeschilderde, bruinrode klei. Alleen de houten balken aan het plafond verraden dat het huis ook door iets anders overeind wordt gehouden. Het éénpersoonsbed is opgemaakt, maar volgens mij in tijden niet gewassen. Aan één muur, onder het enige raam, staat een klein, houten bureau. In de hoek zie ik een houtkachel.

Ik ben met stomheid geslagen. Op één detail na (dit is een huisje van klei en geen traditionele bothy van hout of steen) lijk ik op de plek te zijn die weken geleden mijn verbeelding sierde. En om mijn stomheid compleet te maken, hoor ik dat hier sinds gisteren een Engelsman genaamd Jack is, om een houten dak te bouwen voor één van de werkruimtes.

Ga ik hier in de tuin werken en iets met hout doen, zoals ik op de heuvel bij Lendrick Lodge voor me zag?

Weer in het huis zie ik Caspar nog steeds verbaasd kijken. Ik weet nog niet dat Caspar meestal verbaasd kijkt, ook wanneer hij niet verbaasd is. De rest van de bewoners lijkt het vrij normaal te vinden dat ik via een halve aankondiging ben komen aanwaaien. Ik krijg een plek aan de eettafel en ben onderdeel van de groep. Niemand vraagt wat ik kom doen.

Na het eten weet ik niet wat te doen. Ik voel me ongemakkelijk en de vragen die niemand stelt, wakkeren mijn ongemak alleen maar aan. Engelsman Jack installeert zichzelf languit op de bank met een boek. Hij lijkt van ongemak geen last te hebben.

‘Jack, hoe laat beginnen jullie morgen?’ vraag ik zo nonchalant mogelijk.

Hij laat zijn boek een paar centimeter zakken en kijkt me via de bovenrand aan. 

—‘Mundo, je hebt gereisd vandaag. Kom lekker aan, take it easy en neem morgen een rustdag.’

‘Dank je Jack, dat had ik even nodig denk ik.’

—‘No worries, sunshine.’

Jack gaat verder met lezen.

Ik probeer mijn ongemak uit bij Caspar.

‘Caspar, wat verwacht je van me terwijl ik hier ben?’

‘Niets. Iedereen voegt iets toe, altijd. Door mee te werken, door de tijd te nemen om met iemand te praten, door muziek te maken of door simpelweg stil in een hoekje te zitten. Ik vind het tof als je betrokken raakt, maar ik ga je niet vertellen waarmee, wanneer of voor hoelang.’

Oké, zegt mijn hoofd, dit wordt een leuke oefening.

Ik loop naar het kleien huisje, leg mezelf te rusten en val vroeg in slaap.

De volgende ochtend voel ik me bewogen tot het uitmesten van mijn vertrek. Volgens mij heeft het sinds de bouw geen één schoonmaakbeurt gehad. In de daarop volgende dagen plant ik aardbeien, schaaf ik boomstammen, kook ik en mag ik oefenen met me ongemakkelijk voelen.

Mijn ongemak gaat over meer dan me vrij of onvrij voelen om te doen en laten wat goed voelt. Ook al lijkt Tangleha alles te zijn dat ik weken geleden voor me zag; ik voel me er niet thuis. Er hangt een spanning in de lucht die ik ken van bij Lendrick… en van veel plekken waar mensen dicht bij elkaar leven en werken. Alsof er iets is dat iedereen weet, maar er niet mag zijn. Omdat het anders ongezellig wordt. Wat ik hier van dit ‘iets’ meekrijg, gebeurt vooral via mensen die iets laten vallen over een ander.

Een paar keer benoem ik de spanning die ik voel, maar mijn woorden vinden geen weerklank of ik krijg als reactie: ‘Sorry, maar ik heb het nu te druk om het daarover te hebben.’

Volgens mij word ik uitgenodigd om met de spanning te zijn.


Geïnspireerd?

Miracle Project logo off-white 1Mb

Help anderen dit boek te vinden door deze website te delen

en/of steun onze missie: