29 juli 2016
In de twee weken dat ik nu bij Millo ben, zijn de namen Ans en Floris meermaals langsgekomen. ‘Een fantastisch stel uit België’, vertelde Millo’s vriendin. ‘Ik hoop dat je ze kunt ontmoeten terwijl je hier bent.’
Na een ochtend werken op het hoger gelegen deel van het land, loop ik naar beneden en blijken Ans en Floris er te zijn. We koken samen en eten binnen, waar het op deze windstille dag koeler is dan buiten. Wanneer we klaar zijn, staan Millo en Fran op voor een boodschappenronde.
‘Ik ga wat schrijfwerk doen’, zeg ik tegen Ans en Floris terwijl ik ook opsta.
—‘Wat ben je aan het schrijven?’ vraagt Ans.
Het voelt niet als een beleefdheidsvraag. Ik ga weer zitten en vertel over mijn boek en reis. Ans luistert, stelt af en toe een vraag en zegt dan: ‘Een paar maanden geleden ontmoetten wij iemand die ook zo zonder geld leeft. Heel eerlijk: ik vond dat op een gegeven moment niet tof meer. Hij reisde met ons mee en het voelde alsof we alleen maar aan het geven waren. We konden hem ook niets vragen want het antwoord was steeds: “Nee, geen geld.” Allee, bij jou voel ik dat nu niet en ik weet nog niet wat het voorval toen over mij zegt, want ik zie mezelf soms vastzitten in gangbare ideeën over geven, ontvangen en balans.’
—‘Hoe voelde het bij hem?’ vraag ik.
‘Niet goed.’
Floris luisterde mee terwijl hij stond af te wassen. Nu staat hij in de deuropening tussen de keuken en de woonkamer. ‘Hoe was het voor jou?’ vraagt Ans hem. Hij lijkt even op woorden te wachten. Dan zegt hij: ‘Voor mij is geven ook een proces, maar ik weet nu dat geven onvoorwaardelijk is. Elke keer probeer ik het weer vanbinnen te voelen. Als het gevoel zegt “geef”, dan geef ik. En dan is dat het, ook al snapt mijn hoofd het niet. En dan ben ik niet bezig met wat er wel of niet terugkomt.’

