Ik ben een kilometer of wat doorgelopen en sta bij een rotonde. Voor wat ik tot nu toe in Schotland heb meegemaakt, duurt het lang — een kwartier, voordat een kleine zwarte auto stopt. Het raam van het portier zakt en ik word begroet door een vriendelijk, niet-Schots gezicht met donker haar en een pet. Hij maakt de bijrijdersstoel vrij en ik stap in.
Mijn samaritaan heet Miguel en komt uit Spanje. Miguel was Spanje zat en verhuisde zes jaar geleden naar Edinburgh. Dit weekend huurden hij en een vriendin een auto om door Schotland te toeren. Zij is weer naar huis en hij wil nog even rijden. Dat maakt twee mensen die niet weten waar ze heen gaan.
‘Deze kant op?’ vraagt de één.
—‘Ja, doen’, zegt de ander.
We slaan de kustweg van Fife in en rijden door een heuvelachtig landschap. Soms zien we een glimp van de zee en dan zijn we weer omgeven door groen. Dan vloeit de weg dichter naar de kust en zie ik rechts voor ons een stel oude gebouwen. Een boerderij? We passeren de gebouwen en ik zie een bord hangen.

Zo dat ziet er leuk uit. Zijn dat caravans? Aan het water? Wauw, die ruïne… Zal ik Miguel vragen om te stoppen? Shit, te laat…
—Nee, relax man, Miguel kan me hier altijd later nog droppen. Of ik lift gewoon weer terug.
En wat als het donker wordt?
—Ja, dan wordt het donker.
En wat als ze me niet binnenlaten?
—Ja, dan laten ze me niet binnen.
We doorkruisen een paar kustdorpjes. In Anstruther stappen we uit om een stuk over het strand te lopen. Terug in het dorp bestelt Miguel een kop koffie en na een paar slokken zegt hij: ‘Ik ga weer richting Edinburgh’.
Mijn buik maakt een kleine salto.
‘Wil je me afzetten bij de boerderij waar we een paar dorpen geleden langsreden?’
—‘Natuurlijk!’
Twintig minuten later sta ik voor Ardross Farm Shop. Het bord met openingstijden vertelt me dat de winkel dicht is. Rechts van de winkel zie ik een erf met een woonhuis. Ik loop er naartoe en druk op de voordeurbel. Geen gehoor. Ik begeef me naar de achterkant van het terrein. Achter een grote schuur staan de caravans die ik eerder in het voorbijrijden zag. Allebei kijken ze uit over de zee die honderd meter verderop begint. Ik zie mezelf al zitten, in de blauwe. Liever niet in de beige.
Terug naar het woonhuis. Weer geen gehoor.
Oké, meneer Mundo, terug naar de weg dan? Een paar kilometer geleden zag ik ‘Newark Bed & Breakfast’, dat zag er ook fijn uit. Misschien mag ik daar slapen in ruil voor huishoudhulp.
—Nee Mundo, we hebben nog niet echt gekeken.
Inderdaad, we hebben nog niet echt gekeken.
Terug naar de winkel. De toegangsdeur is op slot. Ik druk mijn neus op het raam en zie achterin licht branden. Langs het gebouw lopend, kom ik een tweede deur tegen. Daarachter, door het raam van de deur, zie ik een grote en een kleine gestalte. Beiden staan met hun rug naar me toe, volgens mij zijn ze bezig met een kast. Als een verlegen muis klop ik op het raam. Geen reactie. Het muisje raapt wat extra moed bij elkaar en klopt nogmaals, iets stoerder. De grote gestalte draait zich om. Ik zie een forse man met een ruitjeshemd, een warm gezicht en grijs haar. Hij glimlacht. Ik zwaai en hij zwaait terug. De kleine gestalte loopt naar de deur.
‘Can I help you?’
—‘Hoi,’ zeg ik tegen een vrouw van middelbare leeftijd die me onderzoekend aankijkt, ‘ik doe dit voor het eerst. Ik leef, reis en werk zonder geld en vertrok vanochtend zonder te weten waar ik zou eindigen. Toen ik langs jullie boerderij kwam, zei iets me dat ik hier moest aankloppen.’
‘En waar ben je vandaag vandaan gekomen?’
—‘Uit de omgeving van Callander.’
‘Oeh, dan heb je wel een reis gehad! Dus je bent op zoek naar een bed? Well, kom eerst maar binnen, we zijn net aan het afronden. Hoe heet je? Ik ben Fiona en dit is Rob. Rob is verschrikkelijk verkouden, dus pas op.’
Rob geeft me een handdruk die past bij zijn postuur. Als Fiona zegt te gaan beginnen met koken, vraagt hij: ‘Wil je een stukje meerijden in de terreinwagen? Ik ga naar de koeien en vind het wel leuk om de boel te laten zien nu het nog licht is.’
In de terreinwagen begint Rob te vertellen: ‘Vroeger verbouwden we één gewas op vijfentwintig hectare. We waren volledig afhankelijk van de supermarkten. Als die ons belden met een giga-order, zaten we gebakken. Als ze vervolgens drie dagen voor de oogst belden met “We doen het toch niet”, zaten we met gebakken peren. We lieten ons leven.
‘Tien jaar geleden hadden we er genoeg van. Toen hebben we het roer omgegooid. Nu verbouwen we niet een aantal, maar tweeënvijftig verschillende gewassen, op zes hectare in plaats van vijfentwintig. Met groothandels en supermarkten doen we geen zaken meer; alles gaat direct naar de mensen, vanuit de winkel die we tien jaar geleden openden.’
Rob vertelt rustig, luistert rustig en antwoordt rustig, alles met pretogen die ik ken van Korrie en John de frisdrankverkoper. Ik zit smullend te luisteren.
‘Voorheen strooiden we elk jaar meer mest om uitputting van de grond tegen te gaan’, vervolgt hij. ‘Nu zit de aarde weer vol met wormen.’
—‘Je spreekt alsof het je nog steeds verbaast.’
‘Dat doet het ook. Al die jaren werkten we keihard met dure technieken, om de grond kapot te maken voor een industrie die niet beter weet dan mensen en natuur kaal te plukken. Nu hebben we zó’n leuk leven! Elke dag mogen we volstrekt logische dingen ontdekken.’
—‘Hoe zit het met de boeren om jullie heen? Zien die wat hier gebeurt?’
‘Ja en nee. We kennen elkaar, ik vertel ze alles en nodig ze uit om te komen kijken, maar de meesten blijven op afstand. Ik weet niet waarom.’
—‘Misschien zijn ze bang’, zeg ik.
‘Waarvoor?’
—‘Voor verandering.’
Rob zet de wagen stil. We stappen uit, lopen een weiland in en begeleiden een kleine kudde koeien naar een ander veld. ‘Time for dinner’, zegt hij dan.
Het woonhuis is groot en antiek. Rob is er geboren. Aan de grote eikenhouten tafel waar ik mag plaatsnemen, eet hij al langer dan ik oud ben. Net wanneer ik zie dat er vier borden liggen, komt dochter Claire binnenlopen.
‘Hoi, ik heet Mundo’.
—‘H… Hai.’
Claire kijkt me onderzoekend aan terwijl Fiona uitleg geeft. Dan is het de normaalste zaak van de wereld: een Hollander zonder geld klopte vanmiddag onaangekondigd aan en eet vanavond mee.
Fiona zet meerdere lekkernijen op tafel. ‘Het meeste komt van ons eigen land en van lokale producenten’, verzekert ze.
Onder het eten vertelt Claire dat ze tot vorig jaar als boekhouder werkte, maar nu volledig in het familiebedrijf zit. Daarna pak ze de draad op van Robs verhaal, alsof ze weet waar hij buiten eindigde.
‘Wij boeren kunnen fantastisch produceren, maar we zijn slechte verkopers. De meeste boeren gaan één keer per jaar en allemaal tegelijk naar de boerenmarkt. Vervolgens staan ze gek te kijken wanneer ze voor hun vlees een slechte prijs krijgen. Wij zijn jaren bezig geweest om tot een constantere geboortecyclus te komen. Nu leveren we het hele jaar door vers vlees. Bakken met geld verdienen we niet, want we doen alles op kleinere schaal, maar we kunnen wel een eerlijke prijs vragen — en krijgen.’
Ik wil iets inbrengen, maar durf het nog niet en draai in plaats daarvan om de zaak heen: ‘Ik wil jullie danken voor jullie warme welkom. Jullie verhaal inspireert me en ik heb heerlijk gegeten. Ik vind het spannend wat ik vandaag deed en merk dat ik nu al bezig ben met morgen en of morgen alles goed zal zijn.’
—‘Dat kan ik me helemaal voorstellen’, zegt Fiona. ‘Ik vind het heel leuk dat je er bent, dit maken we niet dagelijks mee. Je bent welkom voor de nacht.’
Daarmee is het voor nu gezegd. De vraag stellen, doe ik nog even niet. Na het toetje, ijs van een boer op Fife, leidt Fiona me via een grote eiken trap naar mijn vertrek. Ik zie een perfect opgemaakt dubbel bed, met daarnaast een nachtkastje en een schemerlamp die warm licht geeft. Ik kijk door de ramen en kan de zee nog net onderscheiden van de donkerblauwe, schemerende gloed. Wat een luxe…
‘Wauw, Fiona, dank je wel.’
—‘Hier heb je een handdoek. De badkamer is daar in de hal. Installeer jezelf maar even. Als je straks zin hebt in thee of koffie, help yourself; wij zitten in de woonkamer.’
Ik help myself, onder meer aan een schoongemaakte ontstoken teen, en kom met schone, blote voeten bij de familie Pollock op de bank zitten. De televisie staat aan op een boerenkanaal. Rob borduurt voort op het gesprek aan de eettafel.
‘We moesten leren om koeien gewoon hun ding te laten doen, in plaats van ons constant met hen te bemoeien. Van andere boeren hoor ik nu steevast: “Vannacht was ik wéér op om te kalveren, ik heb geen oog dicht gedaan.” Voor mij is dat verleden tijd. Ik slaap volle nachten en als ik ’s ochtends wakker word, zijn er ineens drie nieuwe kalveren.’
—‘Hebben jullie een leidraad,’ vraag ik, ‘om trouw te blijven aan jullie koers?’
De Pollocks kijken elkaar aan. Dan geeft Claire een onsterfelijk antwoord: ‘Een tijdje terug vroeg ik Rob of ik iets wel of niet moest doen. Hij stelde mij een wedervraag: “Als er een cameraploeg zou komen om je te filmen, zou je dit dan doen?” Ik zei “Nee”. Waarop hij zei: “Nou, dan gaan we het niet doen.”’
Oké, nu ga ik het gewoon vragen. ‘Ik zou hier graag een tijdje blijven en meewerken. Hebben jullie hulp nodig?’
Opnieuw stilte, langer dan daarnet. Zelfs de koeien op tv lijken de vraag te verteren. De Pollocks kijken elkaar aan. Eén koe op tv durft weer te loeien.
‘Hebben we nu hulp nodig?’ vraagt Fiona.
—‘Nee, alles gaat eigenlijk wel goed’, antwoordt Claire. ‘Over een paar maanden misschien, maar nu…’
‘Ja, over een paar maanden misschien’, herhaalt Fiona. ‘Ja, nee, sorry, we hebben nu geen hulp nodig. De caravans zijn voor mensen die in het seizoen meewerken. Ze zijn allebei nog niet zomerklaar. We hebben dus ook geen ruimte om je te blijven herbergen, maar we zullen even voor je nadenken.’
Geen ruimte? denk ik. En de slaapkamer waar ik vanavond slaap dan?
Ik laat de angstkreet, in mijn hoofd in plaats van eruit. Voor nu is dit het en voor morgen doet mijn buik alvast een kleine toer.
‘O, trouwens,’ zegt Fiona, ‘morgenochtend komt Jane, om elf uur toch, Rob? Ja, elf uur. Jane is een heel authentiek persoon en kan altijd hulp gebruiken.’
—‘Vinden jullie het goed dat ik hier blijf, totdat zij komt?’
‘Yes, of course. Ontbijt bij ons is een help-yourself-affair. En misschien wil je morgenochtend gaan wandelen. Het is hier prachtig.’
Het bed waarin ik inglijd, is een zee van ruimte onder spierwitte lakens die kraken van gestevenheid. Waar het rijk morgen zal zijn, geen idee, maar op dit moment voel ik me koning.
Op het nachtkastje naast me ligt een boek. Ik pak het op.
The Man Who Cycled the World, staat op de voorkant.
Ik draai het boek om.
‘Op 15 februari 2008, 194 dagen en 17 uur na de start van zijn missie om de wereld rond te fietsen, reed Mark Beaumont in Parijs door de Arc de Triomphe. Helemaal alleen en zonder steun legde hij 18.297 mijlen af. Met een gemiddelde van 100 gruwelijke mijlen per dag vernietigde hij het Guinness World Record met een onvoorstelbare 81 dagen.’
Zo hee, grinnikt mijn hoofd, díe heeft hard gewerkt.
Ik leg het boek neer en val als een blok in slaap.

