Hoofdstuk 5. Zonder geld

Beeld van een vogel door een verrekijker, met aan zijn poot een ketting.
25 februari 2016 (acht weken zonder geld)

In december vroeg Louis me: ‘Wil je naar Schotland? Wil je in de natuur zijn? Ik geef je het mailadres van Monica, die zit op een fantastische plek!’

Ik mailde Monica en Monica mailde terug. Ze gaf een korte beschrijving van een huis en tuin die ze An Tearman heeft gedoopt. Ze wil er een gemeenschap en ontmoetingsplek creëren, een alternatief voor losgeslagen groeidrift en hebzucht, waar mensen mét natuurlijke systemen werken in plaats van ertegen. Op de website waar ze me naar verwees, las ik de woorden Wisdom Economy.

‘An Tearman,’ schreef ze, ‘is Gallisch voor “vrijplaats”. En dat is ook wat ik voor me zie: een ruimte waar mensen die elkaar normaal gezien niet in de ogen zouden kijken, bij elkaar komen en samenwerken.’

Ik ging meteen aan. Monica’s visie en een droom die ik zelf koester, leken wel twee druppels water.

‘Je bent van harte welkom,’ schreef ze verder, ‘maar ik wil je wel waarschuwen: er gebeurt hier weinig in de winter. Heerlijk als je tijd wilt om te schrijven en stil te staan, maar je sociale kring zal vooral bestaan uit vogels, herten en verdwaalde schapen.’

—‘Sounds just about perfectly right to me!’ typte ik terug.

Monica geeft me onderdak en eten en is blij dat ik er ben. Ik werk zo’n vier uur per dag, meestal buiten. De frisse lucht, het wroeten in de tuin en het uitzicht over de baai doen me goed. Zo ook de versimpeling. Zonder geld is er een boel ruis van de lijn. Gedachten als ja, maar, als ik het geld had om… en ja, maar heb ik straks nog wel geld om… zeggen me momenteel weinig. Dat geeft een hoop ruimte.

An Tearman verkeert inderdaad in een winterse rust. Toch doet de plek me extra beseffen hoe graag ik het samenvoorzienende leven wil creëren dat Ilse en ik al voor ons zagen. Ook het boek dat ik heb besloten te schrijven, leeft. Ik heb ideeën over wat er in gaat komen, maar laat nu vooral uit mijn handen komen wat er opborrelt, ook als de tiran in mijn hoofd zegt dat dat geen hout snijdt, niet voor in een boek is en sowieso ruk is.

Er komt dus wat vrij hier. Hartstikke leuk — en soms hartstikke klote, want er zijn ook wat niet-leuke dingen aan het vrijkomen.

Een paar maanden geleden, tijdens een weekend van Korries jaartraining, hadden Tom en ik met twee anderen een oefenviertal gevormd. Eén oefening ging als volgt: ieder van ons mocht ergens in het weekend een verlangen uiten naar de anderen, om vervolgens te ervaren hoe het is wanneer mensen zeggen ‘Ja, dat wil ik voor je doen’ of ‘Nee, dat wil ik niet voor je doen.’ Toen het Toms beurt was, nam hij de tijd voor het uiten van zijn verlangen en daar vond ik wat van. Duurt lang! riep mijn hoofd. Jezus, wat een gemiep! Toen vond ik dat Toms verlangen duidelijk genoeg was en zei ik: ‘Nou, top Tom, laten we het dóen.’

Tom bleek nog niet klaar.
Jezus Tom, nóg meer woorden?!
‘Oké top Tom,’ herhaalde ik, ‘zullen we dan?’

Tom keek me aan en zei: ‘Moen, je gaat te snel. Ik vind dit niet oké.’

Ik sloeg meteen dicht, op een manier die ik niet kende. Ik voelde het gebeuren terwijl het gebeurde. Tom raakte me waar ik niet geraakt wilde worden en bam, daar zat ik, in mijn harnas.

Lamgeslagen keek ik Tom aan, als een op heterdaad betrapte drammer. Er kwam een verdedigingsdrang (lees: aanvalsdrang) op, maar ook die kon ik voelen in plaats van erdoor overgenomen te worden.

Tom kwam met een nieuw verlangen, namelijk dat ik de groep verliet en buiten ging spelen. Ik ging naar buiten.

Ik denk aan dat moment omdat ik hier, zonder geld, zonder ruis en met alle ruimte, misschien voor het eerst echt bewust wordt van mijn harnas — en van vooral hoe vaak ik me door dat harnas laat gekdraaien. Hier geen Tommen die me kunnen raken, maar een hele hoop gedachten die dat wel doen. Leuke, positieve gedachten en evenzoveel negatieve, gewelddadige en dramatiserende gedachten.

Soms, terwijl ik in Monica’s tuin aan het wroeten ben, voel ik hoe de negatieve kant van mijn gedachtenstroom alles tussen mijn nek en bovenbenen strak op spanning zet.

Deze spanning is er vaker wel dan niet, realiseer ik me.

Met alles waar ik al naar gekeken heb, met aalle rotzooi die ik al in mezelf heb opgeruimd en met aaalle bevrijding die ik de afgelopen jaren heb meegemaakt, staat mijn systeem nog steeds regelmatig in de overlevingsstand.

Ik houd het niet voor mezelf. Ik ben open naar Monica, reik uit naar Tom en krijg een spiegel van Louis. Die wees me al een keer op mijn buik, nadat hij gevraagd had of hij iets mocht zeggen over wat hij waarnam.

‘Ik voel dat daar iets zit Mundo. Als je het wilt doorwerken, steun ik je graag.’

—‘Dank je wel Louis, dat waardeer ik’, zei ik.
Flikker op man, met je buik, dacht ik.

Nu denk ik ja, graag Louis, en dat komt mede door een e-mail die hij stuurde, over mijn hulp aan zijn Care First initiatief.

Dag Mundo,

Ik wil graag iets zeggen over hoe je soms commentaar geeft op de website, met name wanneer je termen gebruikt als ‘oubollig’ en ‘geitenwollen-sokkenclub’. Ik weet dat je het niet naar bedoelt en dat je gewoon eerlijk bent, maar het komt niet warm en prettig over. Kunnen we elkaar hierover spreken?

Slik.

Daar is ‘ie.

—‘Louis, dankjewel voor je mail. Ik spreek je graag.’

We Skypen. Ik vertel Louis hoe zijn bericht me spiegelt. Ik kom een hardheid tegen die er heel vaak is, maar die ik misschien nu pas begin waar te nemen. Louis luistert, stelt wat vragen en wil dan weten of ik het er moeilijk mee heb. Ik wacht met antwoorden.

—‘Ik voel op dit moment dat het er is,’ zeg ik dan, met een brok in mijn keel, ‘en het voelt niet zwaar. Ik voel het gewoon.’

Hé…

Dit kwam ik in Australië ook tegen.

Zestien jaar geleden, op mijn achttiende, backpackend door Australië, at ik het gevoel weg. In drie maanden tijd hing ik vijftien nieuwe kilo’s aan mijn lijf. Acht jaar daarna, backpackend door Canada: zelfde liedje. Geen vijftien kilo die keer, maar wel een maand lang met mijn ziel onder de arm en geen moment kunnen stilzitten, want bij elk stilzitten begon er iets op te komen waar ik zo hard mogelijk van weg wilde. Weer een jaar later begon ik met Wovox, kon ik er niet meer omheen en…

Een reeks ervaringen flitst voorbij, inclusief het hoorcollege waar ik Louis een rare, irritante kwibus vond. Met terugwerkende kracht zie ik het telkens weer gebeuren: mijn lijf spant zich aan, geeft signalen, vraagt me om te luisteren — en ik werk heel hard om het maar niet te voelen.

Geen wonder dat ik veel van mijn dagen zo snel mogelijk achter de rug wil hebben. Morgen is het misschien beter, vertel ik mezelf dan. Morgen wordt alleen nooit beter. Niet zolang ik blijf onderdrukken wat gevoeld wil worden.

Louis zegt opnieuw dat hij me graag steunt. Ik bedank hem, oprecht deze keer, en we ronden af, voor nu.

Ik denk aan een blogpost die ik schreef, vlak na onze eerste avond De Ruimte In. ‘Kun je je voorstellen wat er gebeurt,’ vroeg ik in die blogpost, ‘wanneer we minder en minder van onze tijd hoeven te besteden aan overleven? Hoeveel energie er dan vrijkomt om ons te richten op leven? Hoeveel makkelijker we uiting zullen geven aan onze creatieve talenten, verlangens en diepe wens tot bijdragen?’

Ik denk aan de open brief die ik schreef, vlak na mijn zonder-geld-besluit. Daarin stond: ‘We kunnen onszelf pas bevrijden wanneer we zien wat ons blokkeert.’

Nu pas zie ik hoezeer die brief ook aan mij is gericht.

Bedtijd.


Geïnspireerd?

Miracle Project logo off-white 1Mb

Help anderen dit boek te vinden door deze website te delen

en/of steun onze missie: