4 juli 2016
Ergens in de Portugese bergen woont een Australisch-Italiaanse man genaamd Millo. Hij schreef er een tekst, ‘Reoccupy Portugal’, een manifest voor het verbinden van verlaten stukken land met mensen die het willen vergroenen. Hij hoopt een beweging aan te wakkeren van mensen die samen aan een nieuwe, houdbare economie werken. Een economie die de waarden van Moeder Natuur respecteert en oude structuren op een sierlijke manier vaarwel zegt.
Ik stuitte op Millo’s manifest terwijl ik op internet aan het snuffelen was. De woorden raakten me en Portugal trekt me, al jaren. Ik schreef Millo, we ontmoetten elkaar via Skype, het klikte en we spraken af dat ik een tijd zou komen meewerken en -leven op zijn land.
Overmorgen ga ik die kant op. Papa en zijn wel-of-niet-ex-vriendin Ilona gaan een stukje mee. We zijn uitgenodigd door een stel dat in Frankrijk woont en dat papa al heel lang kent. Wanneer papa en Ilona terugkeren naar Nederland, reis ik door naar Portugal. Hoe lang ik daar blijf, staat open, maar ik denk tot half september. Volgens mij heb ik dan weer in Nederland te zijn.
Papa en Alzheimer gaan hard, harder dan we ons eind vorig jaar bij de neuroloog hadden kunnen voorstellen en veel harder dan papa’s ‘case manager’ Nine ooit heeft meegemaakt — en zij doet dit werk al veertien jaar. Papa kan geen stap meer buiten Amsterdam zetten zonder de kluts kwijt te raken, en ook in de stad begint zijn waarneming te haperen. Een paar dagen terug liep ik met hem vanuit het centrum naar zijn appartement, toen hij even dacht in Moskou te zijn. Een keer daarvoor liep ik met hem en Ilona zijn appartement binnen en herkende hij de woning niet als thuis.
Nine heeft me verteld dat deze reis misschien wel zijn laatste naar het buitenland wordt. ‘Ga’, verzekerde ze me, nadat ik mijn twijfel uitsprak over naar Portugal gaan. ‘Geniet van jullie reis naar Frankrijk en geniet daarna van die van jou. Houd er alleen rekening mee dat je vader vanaf het najaar permanent versterking nodig heeft.’
Ik weet niet wat het beste is, maar ga is wat ik voel, dus gaan is wat ik doe.
Maar vandaag eerst nog een bezoek aan vrienden in Den Haag.
‘Waar ga je heen?’
De vraag komt van achteren. Ik ben nog aan het lopen en heb mijn duim nog niet eens uitgestoken. Ik draai me om en zie een gezicht dat me door het open raam van een auto aankijkt.
‘Dat is snel! Ik ga naar Den Haag.’
—‘Ik ben op weg naar Rijswijk. Ik kan je daar afzetten, stap maar in.’
De bestuurder heet Peter. Peter rijdt in een degelijke auto, draagt een spierwit en strak gestreken overhemd en vindt liften een heel goed idee. Ook voor zijn kinderen van veertien en zestien.
‘Als wij op Terschelling zijn en onze kinderen willen ergens naartoe, dan zeg ik: “Steek je duim maar uit; geniet van het avontuur.” Over een paar maanden gaan we op vakantie in Thailand. Daar gaan we met het hele gezin liften.’
Peter doet verslag van verschillende liftavonturen, muziek voor mijn oren. Dan wil hij weten wat mij beweegt om te liften. Ik begin te vertellen over het afgelopen halfjaar en zie Peter een paar keer instemmend knikken. Dan zegt hij resoluut: ‘Mundo, ik vind het bijzonder wat je doet, maar je verhaal klopt niet. Je leeft en reist helemaal niet zonder geld; je leeft en reist met gebruik van andermans geld. Als je zonder geld wilt leven, moet je in de rimboe gaan wonen en fruit van de bomen plukken.’
Bam. Weg muziek in mijn oren. Iets in mij zet zich schrap.
‘Ja, ik vind het vervelend om je verhaal onderuit te halen,’ vervolgt hij, ‘maar zo is het wel.’
Peter,zeggen de verdedigingstroepen vanbinnen, nu moet je eens goed luisteren. Ik weet alláng dat zonder geld leven ook mét geld leven is. Dat wist ik al vóórdat ik hiermee begon. Dus.
Ik laat de troepen, probeer te voelen in plaats van te denken, en wacht. Misschien zit er achter de verdedigingslinie iets dat gezegd wil worden. Nee. Het blijft stil. Peter gaat verder. Hij spreekt over benzine, auto’s, asfaltwegen, overnachtingen en andermans geld. Ik probeer te horen of hij me iets anders wil vertellen dan wat ik hoor, maar ik hoor niets anders. Ik leef met gebruik van andermans geld, punt.
Dan schiet me toch ineens een vraag te binnen: ‘Maken we niet altijd gebruik van andermans geld?’
Hé, leuke en slimme vraag, Mundo, chapeau!
Of Peter mijn vraag ook slim vindt, ga ik nu niet ontdekken: we zijn in Rijswijk en hij wil door naar zijn afspraak.
‘Die weg loopt de stad in’, zegt hij, terwijl we stilstaan voor een kruispunt. We geven elkaar een hand.
‘Dankjewel Peter, voor de lift en ons gesprek.’
—‘Laten we een keer verder praten.’
Ik geef Peter een kaartje met mijn gegevens en stap uit. Het licht springt op groen en hij is weg.
Ik kijk om me heen. Man, wat een rete-onhandige plek om te… Een voorbijrijdende auto houdt midden op het kruispunt halt. Ik ren er naartoe.
‘Ja, ik zag je staan en stopte zonder na te denken. Waar ga je heen?’

