18 juni 2016
Sinds ons gesprek eind vorig jaar, over zorg, verzekeringen en de tandarts, hadden Frank en ik elkaar niet meer gehoord. We besloten daar iets aan te doen: ik zou een paar dagen bij hem op bezoek komen.
Bij aankomst ontmoette ik Franks zus Iris, die naast Frank woont en me triomfantelijk vertelde: ‘Ik woon antikraak en rijd in een Porsche.’ Ze stelde me voor aan Kleine P, een lichtgrijze bolide uit het jaar 1992. De auto riep direct een herinnering op van eenzelfde model dat bij ons in de straat stond. Precies dat model vond ik heel mooi, mooier dan alle andere auto’s, en Kleine P wekt opnieuw een gevoel van kwaliteit en schoonheid bij me op.
Vandaag reis ik terug naar Amsterdam en wil ik Iris eigenlijk iets vragen, maar ik vraag iets anders. Of ze me naar een benzinepomp wil brengen. Dat wil ze. We lopen naar kleine P en dan houd ik het niet meer.
‘Iris, ik durf het bijna niet te vragen, maar…’
—‘Wil je rijden?’
Ze werpt me de sleutel toe. Voor het eerst in mijn leven zak ik in de bestuurdersstoel van een Porsche. Ik kom zo laag te zitten dat er volgens mij niet meer dan een millimeter tussen mijn billen en het asfalt kan zitten. Frank maakt een foto, ik draai de sleutel om en Kleine P begint ingetogen te brommen. Zachtjes duw ik hem op z’n staart; hij reageert direct. De benzinepomp komt veel te gauw in mijn vizier en weer vraag ik niet wat ik wil vragen: ‘Stoppen we hier of rijden we nog een stukje door?’
—‘Nee, je moet wel even de snelweg op, anders heb je P niet echt meegemaakt.’
Joepie.
We pakken de oprit en ik duw Kleine P wat fermer op z’n staart. Hij bromt van plezier en is nog lang niet over z’n toeren. Wat een bak.
Bij afslag Blaricum is het genoeg geweest. Iris en P rijden zwaaiend weg en ik loop naar de oprit van de A1 richting Amsterdam. Bij het stoplicht steek ik mijn duim omhoog. Als eerste krijg ik bezoek van een vrouw op een fiets. Achterop, in een stoeltje, zit een jongen van een paar jaar oud.
‘Waar ga je naartoe?’ vraagt ze met een nieuwsgierige blik.
—‘Naar Amsterdam.’
‘Neem je de bus?’
—‘Nee, ik ben aan het liften.’
‘Liften?’ vraagt ze ontsteld. ‘Maar mensen zijn helemaal niet lief!’
—‘O? Ik vind mensen heel lief.’
‘Nou…’ zegt ze vol ongeloof, terwijl haar licht op groen springt en ze aanzet. Ik blaas een kusje en zwaai naar de jongen. De vrouw lacht; de jongen lijkt niet te weten wat te doen. Ik zwaai nog een keer. Hij begint te lachen en zwaait terug. Vijf seconden later staat er een auto voor mijn neus.
‘We gaan naar Den Haag’, zegt de man in de bijrijdersstoel. ‘We komen langs Amsterdam dus we kunnen je daar afzetten.’
Ik stap in en we rijden de snelweg op.
‘We stonden voor het stoplicht en zagen je praten met die vrouw op de fiets’, zegt de vrouw in de bestuurdersstoel. ‘Toen je haar een zoen blies en we haar zoontje naar je zagen zwaaien, zeiden we allebei: “Die moeten we meenemen”.’

