27 juni 2016
Vandaag is Frankdag. Onze Qigong-les en heisessie zijn al achter de rug en nu lopen we richting de binnenstad voor boodschappen. Mij bekruipt opnieuw een bezwaard gevoel en weet je wat? Ik vind dat ik nu wel klaar ben met me bezwaard voelen. Laat ik doen alsof het er niet is.
‘Ehm… ja… dus… Frank’, begin ik stuntelend, terwijl we in de biowinkel staan. ‘Even kijken: ik stop dus wat boodschappen in een mand en dan, ehm…’
Frank kijkt me glimlachend aan.
—‘Helemaal goed. Ga je gang.’
Ik ga een gang in. En nog één. De boodschappenmand is snel vol. Goh, best zwaar. Ik breng de mand naar Frank. ‘Hou je deze even vast?’ Ik pak een tweede mand en zie dit, dat, o ja dit en dat ook… De boodschappenlijst die ik zorgvuldig had opgesteld, brandt in mijn broekzak, maar ik pak ‘m er niet bij. Ik heb het te druk met dit zo snel mogelijk achter de rug hebben. Dan voel ik een hand op mijn schouder. Ik kijk om. Frank.
‘Mundo, deze mand begint een beetje zwaar te worden. Hoeveel ben je nog van plan te pakken?’
Als een op heterdaad betrapt jongetje beginnen mijn wangen en oren te gloeien.
—‘Ehm… vind je het teveel worden?’
‘Nou, ik geef je graag een tas met bioboodschappen, maar ik voel er niet zoveel voor om het hele huis te vullen.’
—‘Oké… ehm… wat zou voor jou kloppen? Heb je een bedrag in gedachten?’
Frank kijkt me aan en lijkt de vraag te verwerken.
‘Grappig,’ zegt hij dan, ‘ik merk dat het me niet zo gaat om het bedrag. Als je intentie puur is, klopt het bedrag vanzelf wel. Ik kan alleen niet zo goed bij je intentie.’
Auw.
Steek.
Rake steek.
‘Frank…’ begin ik, bijna huilend van opluchting, ‘dank je wel.’
Mijn intentie klopt niet. Ik ben aan het graaien en dat voelt me toch een partij slécht. En man, wat heerlijk, mezelf zo op heterdaad laten betrappen…
Ho, maar wacht even…
‘Frank, ik merk dat ik toch een idee wil hebben van wat voor jou klopt. Een paar uur geleden hoorde ik je nog zeggen: “Mundo, voor een middag als deze betalen mensen me zevenhonderdvijftig euro, dus of die boodschappen straks honderd of tweehonderd euro zijn, dat is deze dag dubbel en dwars waard.” Ik geloof dat ik die opmerking toch een beetje mee de winkel in heb genomen.’
Frank kijkt me aan. Ik zie een glimlach verschijnen.
‘Tja, daar zeg je me wat… Haha die is gek hé!’
We spreken het volgende af: ik leg in de mand wat kloppend voelt en dan klopt het, wat in dit geval betekent: ik haal uit de manden wat niet kloppend voelt en dan klopt het.
In omgekeerde volgorde loop ik door de gangpaden. Met één mand meld ik me bij de kassa.
‘Wat denk jij?’
—‘Ik denk zeventig euro.’
Het is op de kop af zeventig euro.
Terwijl we naar huis lopen, vieren we onze instinkers. Door te zeggen ‘of die boodschappen straks honderd of tweehonderd euro zijn’, gaf Frank meer ruimte dan hij eigenlijk wilde. Door zijn woorden letterlijk te nemen, nam ik meer ruimte dan ik eigenlijk wilde.
Het was niet alleen de hebberigheid die me een steek gaf. Ik wilde die boodschappen zo snel mogelijk achter de rug hebben omdat iets in mij vond dat ik ze niet mocht ontvangen. Ik ben het niet waard heeft me weer eens heerlijk te grazen genomen.
Frank voelt zijn eigen steek en is daar op zijn manier blij mee. Voor hem is het opnieuw een spiegel voor zijn neiging om ruimte te geven wanneer hij die eigenlijk niet voelt. Om allemans vriend te zijn en alles altijd maar goed te vinden, in plaats van duidelijk aan te geven waar zijn Ja en Nee zitten.
Best een onbetaalbare dag dit.

