Portugal
10 juli 2016
Morgen komt er een eind aan ons verblijf bij Cees en Saskia in Frankrijk. Voor papa komt de terugreis geen moment te vroeg. Drie keer de afgelopen dagen kwam hij naar ons toe, gedoucht, geschoren en met een volle koffer, klaar voor vertrek. Elke keer legden we rustig uit dat we nog niet gingen. Elke keer keek hij ons eerst glazig en was er daarna een steek: ‘Shit, Alzheimer.’
Mensen met dementie schijnen steeds slechter tegen veranderingen te kunnen. Misschien zoekt papa naar een bekende houvast en is dit zijn manier om te zeggen dat hij die mist. Hij weet de zaak echter elke keer weer om te draaien. De laatste keer dat hij besefte dat hij vergeefs zijn vertrek had voorbereid, zij hij bijvoorbeeld: ‘Ja, nou, ik zie er in ieder geval weer uit om door een ringetje te halen.’
Het ontroert me, de pijn en humor waarmee papa door zijn vergeetachtigheid fietst. En er is nog iets dat in me roert: mijn ontmoeting met Peter.
‘Je leeft en reist helemaal niet zonder geld’, had Peter me gezegd. In die zin kan ik me helemaal vinden. Ik zou bijvoorbeeld nogal blind zijn om niet te zien dat de auto waarmee Peter me een lift gaf, via geld wordt gevuld met benzine. Ook bij ‘je maakt gebruik van’ en ‘geld’ kan ik Peter volgen. Wat me beroert, is dat woord ertussen:

Wat een gek woord eigenlijk.
Iedereen in het huis ligt op één oor, behalve ik. Ik ben aan een tafel gaan zitten op de zolderkamer waar ik slaap. Met een pen in de hand en bijgeschenen door een kleine Franse bureaulamp, laat ik mijn gedachten de vrije loop.
Ik zie een weegschaal, de weegschaal van ‘voor wat hoort wat’ en ‘voor dit hoort dat’. Ik zie prestaties, diensten en gunsten die de weegschaal tot in de kleinste hoekjes van onze psyche doen kantelen.

‘Nu is het mijn beurt om een biertje te halen.’

‘Kan ik nog iets voor je meenemen?’

‘Kom je de volgende keer bij mij eten?’

‘En wat kan ik nu voor jou doen?’
Wat bepaalt het gewicht dat wij in de weegschaal leggen? Ik geloof niet dat we dit objectief kunnen meten, maar omdat onze maatschappij voornamelijk draait op meetbare transacties, lijken we dit wel te kunnen. En omdat geld ons voornaamste meetinstrument voor waarde is, neigen we ernaar onze bijdrage aan de maatschappij op te hangen aan het geld dat we verdienen.
Laat ik het anders verwoorden. Geld dat ik verdien, heb ik verdiend, is van mij en maakt me weegschaal-waardig. Geld dat ik niet verdien, kan ik misschien wel krijgen, maar is eigenlijk niet van mij. Geniet ik bijvoorbeeld van een uitkering, dan ben ik een ‘steuntrekker’, oftewel iemand die leeft op kosten van de belastingbetaler.
Van ‘andermans’ geld leven, maakt ons niet minderwaardig; wij maken onszelf en elkaar minderwaardig. Hoeveel mensen voelen zich schoon en waardig bij de uitkering die ze ontvangen, of bij de financiële steun die ze van hun ouders krijgen, terwijl ze al lang en breed volwassen zijn? Hoeveel mensen voelen zich vrij om over een uitkering of steun te vertellen, zonder zich te verantwoorden, te excuseren of in te dekken? Ik heb er nog maar weinig ontmoet. In onze maatschappij hoor je immers je ‘eigen’ loon te verdienen.
Nu kan ik heus wat van van mijnmans aan jou geven, maar — en dit doet me denken aan een liedje van Acda en de Munnik — is voor jou dan ook van jou?

We vinden het normaal om geld aan de ene kant van de weegschaal te leggen en waarde aan de andere, terwijl geld en waarde feitelijk niets met elkaar te maken hebben. Dit betekent niet dat geld geen uitdrukking van waarde kan zijn, maar het roept wel een vraag bij me op: hoe kloppend zijn onze uitdrukkingen van waarde?
Ik zie een beurshandelaar voor me. Hij drukt op een paar knopjes en trekt in luttele seconden een enorme smak geld van de beurs. Is die smak een uitdrukking van zijn inzet en de waarde die hij ermee heeft toegevoegd? Is die smak hem in dankbaarheid en waardering gegeven? Is die smak nu van hem?
Ik zie een onbekende kunstenares die jarenlang in de anonimiteit werkt. Opeens wordt ze ontdekt door een vermaard kunstexpert. Opeens is ze de belangrijkste kunstenares van onze tijd. Brengen haar werken nu geld op omdat mensen haar artistieke gaven waarderen, of omdat mensen zich door een expert laten vertellen wat ze mooi moeten vinden? Heeft zij de opbrengsten van haar schilderijen verdiend? Zijn die opbrengsten nu van haar?
Ik zie een onderneemster voor me. Dit jaar heeft ze meer winst geboekt dan ooit. Knap, want ze is dit jaar ook erg ziek geweest en lag zelfs een tijd op de intensieve zorgafdeling van het ziekenhuis. Daar werd ze zo liefdevol verpleegd dat ze wonderbaarlijk snel genas en in een mum van tijd weer aan het werk kon. Haar verplegers delen niet in de winst die ze heeft geboekt; haar verplegers krijgen aan het eind van het jaar een kerstpakket (mits het ziekenhuisbudget dat nog toelaat).
De schoonmaker die de onderneemster elke ochtend in een brandschoon kantoor verwelkomt, deelt niet in de winst die ze boekt. De bloemist die het kantoor elke week opfleurt, deelt niet in de winst die de onderneemster boekt. De kweker die de bloemen kweekt, de bijen die de bloemen bestuiven en de vuilnisman die geen vuiltje uit de weg gaat om de straat waar de onderneemster kantoor houdt tot de mooiste straat van de stad te maken, delen allemaal niet in de winst die ze boekt. Ook al zorgen ze er samen voor dat de straat en het kantoor zo schoon en kleurrijk zijn dat iedereen die er komt, inclusief de onderneemster, domweg gelukkig wordt van de goede energie die er hangt, verdient alleen de onderneemster de winst die ze boekt.
De wens om je ‘eigen’ geld te verdienen, is niet verkeerd. Ik zie er zelfs een mooie kern van waarheid in, net als dat ik in concurrentie een mooie kern van waarheid zie. Volgens mij willen we niets liever dan geven en bijdragen. Hoe heerlijk om daar een liefdevolle waardering voor te ontvangen? Hoe mooi om de vruchten van onze inzet te plukken, met hulp van mensen wier levens door onze inzet zijn verrijkt?
Hierbij komt dat ontvangen bestaat bij de gratie van geven. Zonder ontvanger, geen gever. Geven en ontvangen zijn één. In onze maatschappij hebben we geven en ontvangen echter uit elkaar getrokken en een vervelende bijsmaak gegeven. De meesten van ons leren reeds als kind om het succes van wat we geven, af te meten aan wat anderen ons ervoor teruggeven. Dit teruggeven komt eerst in de vorm van complimenten, cijfers en diploma’s en al gauw in de vorm van geld.
Volgens mij is dit de rekensom die velen van ons onbewust maken — en waar ik mezelf nog steeds van aan het losweken ben:



Oftewel: aantal uren gegeven -maal- geldbedrag ontvangen en/of waardering gekregen -is gelijk aan- hoeveelheid ‘eigenwaarde’.
De bureaulamp gaat uit. Ik kijk door het open raam van de zolderkamer. De sterren schijnen naar binnen. Er hangt geen wolkje aan de lucht. Ik hoor krekels. Ik denk aan papa, die een verdieping onder me slaapt. De bureaulamp gaat weer aan.
Ik groei op als zoon van een gouden tabakshandelaar. Papa reist overal naartoe, legt overal contacten, sluit overal deals en verdient bakken met geld voor de internationale bedrijven waar hij voor werkt. Gestaag beklimt hij de bedrijfsladder, tot grote hoogte. Dan, ineens, staat hij buitenspel. Uit het veld geslagen door jonge honden die politieke spelletjes spelen in plaats van samenwerken. Tenminste, als ik papa mag geloven.
Papa’s zogenaamde eigenwaarde loopt een deuk op. Na een korte periode van bezinning besluit hij contact op te nemen met een oud-werkgever in Nederland. Hij kan er meteen aan de slag. Een half jaar na zijn doorstart verhuizen mama, Dedy en ik vanuit Engeland achter hem aan.
Twee jaar houdt papa zijn nieuwe baan vol, tot hij vlak voor de kerst plots in elkaar krimpt van de pijn. Mama bestelt een ambulance en na een spoedoperatie in het ziekenhuis vertelt de chirurg ons: ‘We vonden een maagzweer die er waarschijnlijk al heel lang zat en nu een gat in zijn maagwand had gevreten. Zijn buik zat vol met maagzuur en dat had geen moment langer moeten duren. Jullie en hij hebben geluk gehad.’
Papa ontwaakt uit meer dan de narcose. Hij en mama gaan eindelijk uit elkaar. Hij zegt de tabakshandel vaarwel, stopt met roken en besluit van zijn hobby zijn werk te maken. Geïnspireerd kijk ik toe hoe papa een overall aantrekt, een werkplaats huurt en gewoon begint. Hij is nooit voor timmerwerk opgeleid, maar deed altijd al veel met zijn handen en nu zie ik hem de meest ingenieuze dingen maken. Ik mag hem regelmatig assisteren, leer een boel en heb voor het eerst een papa die aanwezig is, kleur in zijn gezicht heeft en papa is.
Zo enthousiast als ik die eerste periode toekijk, zo schrijnend vind ik het om te zien hoe papa zichzelf al gauw begint te kleineren. Zijn overall tipt gewoon niet aan het zwarte pak dat hij eerder droeg. Het plezier en de voldoening die hij en ik beleven aan samen mooie dingen maken, zijn niet opgewassen tegen de overtuiging dat hij nu minder is dan toen. Ook de waardering en complimenten die klanten rijkelijk over hem uitstrooien, halen het niet bij de status en ‘verdiensten’ van weleer.
Papa laat zijn timmerbedrijf verslonzen en ik zou bijna zeggen: expres. Maar ik weet dat hij niet degene is die aan het roer van de sabotage staat. Dat is een diep, meestal onbewust geloof mislukt te zijn.
Niet lang voor zijn pensioenleeftijd doekt papa zijn werkplaats op. Hij probeert zich te bezinnen op hoe verder. Dan opent hij zijn kledingkast, pakt een pak en stapt opnieuw de zakenwereld in. hij gaat iets opzetten, neerzetten en achterlaten —tsjakka.
Het mislukt. Of het lukt perfect, want vanbinnen wil papa helemaal niet laten zien dat hij nog steeds meetelt. Ergens weet hij dat hij niet is wat hij aan geld en waardering verdient. Toch blijft het cultuurmonster in zijn hoofd bepalen dat hij dat wel is.
De jeu en daadkracht waar papa ooit van overliep, lekken steeds verder weg, samen met de laatste resten van het geld dat hij overhield na de vechtscheiding met mama. Terwijl zijn pensioen met rasse schreden nadert, weet hij niet wat hij straks maandelijks gaat ontvangen. Hij wil het ook niet weten; de uitkomst staat toch al vast: ‘Ik ben mislukt’.
Wat voor papa geldt, geldt voor velen.
Onze gangbare notie van werk is mijlenver verwijderd van wat werk volgens mij in essentie is: liefdevol, enthousiast en zorgzaam doen waar je je toe geroepen voelt en in het doen vreugde en voldoening vinden, niet pas bij het resultaat of de beloning. Zouden we allemaal via deze weg geld aantrekken, dan zou ik het woord ‘andermans’ makkelijker kunnen slikken. Hoewel ik dat, geloof ik, nooit helemaal zal kunnen.
Alle creatie komt voort uit een geschenk van de natuur, van onze gezamenlijke voorouders en van mensen dichtbij of ver weg. Ook geld. Het kan ons gegeven worden en we kunnen het stelen, maar we verdienen het net zo min als de lucht die we inademen of de grond waarop we staan. Of net zozeer. Zeggen dat ik leef met gebruik van andermans geld, vind ik hetzelfde als zeggen: ‘Je leeft met gebruik van andermans grond’ of ‘je ademt met gebruik van andermans lucht’.
Genoeg geschreven.
Ik sta op uit de houten bureaustoel, loop de trap af en plens buiten wat koud bronwater in mijn gezicht. Weer binnen gaat de badkamerlamp aan en pak ik mijn tandenborstel. Terwijl ik poets rijst nog één vraag: als wij ons valse gebrek aan eigenwaarde eerlijk durven aankijken, als mens zijnde en als maatschappij, en als genoeg mensen beseffen dat een individu alleen gedijt wanneer het geheel gedijt, hebben we dan nog een weegschaal nodig? Hebben we het woord ‘eigendom’ dan nog nodig?


